Onderwijs aan de keukentafel
26 november 2009
Goed, thuisonderwijs is een curiositeit in Nederland. In België is het al een stuk normaler, in Groot Brittanië en Amerika is het gewoon een optie. Nee, dat is niet vanwege de afstanden. Die miljoenen thuisonderwezen kinderen wonen niet voornamelijk op de Kansas prairie vanwaar zij met een krakerige telefoon verbinding zoeken met een leraar in de bewoonde wereld. Het is een optie waar ieder gezin om haar moverende redenen voor gekozen heeft. Een kind dat verzwolgen werd door de structuur van een school. Een kind dat ten onder ging aan het groepsproces dat sociaal heette te zijn. Een kind dat thuis veel meer leert. Of ouders die gewoon een aanzienlijk deel van hun tijd willen doorbrengen met de kinderen die zij op de wereld hebben gezet. In Nieuw Zeeland kun je zelfs een toelage krijgen. Op zich niet zo vreemd, want een thuisonderwijzend gezin bespaart de overheid flink wat geld. In Nederland 4900 euro per jaar voor een basisschoolleerling en zo’n 6400 euro voor kind op het voortgezet onderwijs.
Toch zijn er landen waar thuisonderwijs resoluut verboden is. Dat zijn er niet veel. Eigenlijk is het alleen onmogelijk in Noord-Korea (waar wel meer onmogelijk is) en in de Duitse deelstaten. Maar in ieder land zijn er zijn mensen die blijven doorzetten om het beste voor hun gezin te bereiken. Ook als er bij thuisonderwijs drie maanden gevangenisstraf gevonnist wordt. Per ouder. Ook als hun bankrekening geblokkeerd wordt, als chantagemiddel om de kinderen niet langer thuis te onderwijzen.
Afgelopen dinsdag zond de ZDF een prachtige documentaire uit over twee gezinnen die thuisonderwijs geven in Duitsland. Eén gezin met zeven kinderen waarvan de ouders gekozen hebben sober te leven, zodat zij zich beiden kunnen wijden aan het onderwijs van de kinderen.
En één unschoolend gezin met twee kinderen. Unschoolen betekent dat ouders ervan uitgaan dat hun kinderen uit eigen motivatie alles zullen leren wat zij nodig hebben. In dit geval kozen de kinderen ervoor om vroeg op te staan en zich aan wiskunde, Engels en Spaans te zetten, zodat zij ’s middags tijd konden maken voor andere dingen.
De hele uitzending duurt dertig minuten en staat hier online. Je kunt hem ook op YouTube bekijken, daar staat hij in drie stukken, hieronder het eerste deel.
Bartimeüs
17 november 2009

We zijn op bezoek geweest bij stichting Bartiméus in Zeist. Zij bieden ondersteuning en onderwijs aan mensen die blind of slechtziend zijn en helpen hen op weg in de maatschappij.
Om een beetje te ervaren hoe het is om niet of nauwelijks te kunnen zien, heeft Bartiméus een ‘donkere belevingsruimte’ waar je op bezoek kunt. Daar is een straatje nagebouwd met verschillende soorten paden, een bruggetje, een huis en allerlei obstakels waar blinden en slechtzienden vaak letterlijk tegenop lopen. Een blikje op de grond, een vuilnisbak midden op straat en als je een brief wilt posten, welk vak is dan ook alweer voor overige bestemmingen?
Om ons voor te bereiden waren we begonnen in Het wereldje van Beer Ligthart dat mooie boek van Jaap ter Haar over een jongen die blind wordt en de wereld opnieuw moet ontdekken. Ik heb het boek vroeger zelf gelezen, maar wist niet meer precies voor welke leeftijd het was. Omdat ik het niet altijd eens ben met de aanbeveling van de uitgever of Biblion, heb ik de kinderen eerst een hoofdstuk van internet voorgelezen. Daarna zijn we in het echte boek verder gegaan.
En we hebben gekeken op welke manieren je visueel gehandicapt kunt raken. Dat kan aan je ogen zelf liggen, maar ook aan het plekje in je hersenen waarmee je gezichtsvermogen gestuurd wordt. Of er kan ergens iets misgaan op de weg van je ogen naar je hersenen. Daarom hebben we onderzocht hoe ogen precies in elkaar zitten.

Met het Body Book maakten we een papieren versie, met een hoornvlies van plasticfolie. Zo kun je goed zien welke weg het licht aflegt voordat het op je netvlies terechtkomt.
We maakten daarnaast een model van de hersenen, om uit te vinden waar het ‘kijk’-plekje zich precies bevindt. Dat blijkt achteraan te zijn, dus de oogzenuw moet een flinke weg afleggen. Daar kan best wel iets misgaan.

En dan kun je er wel over lezen, maar het zelf een beetje meemaken is toch weer anders. We zouden samen met een ander thuisonderwijsgezin gaan, maar daar bleek de griep in alle hevigheid toegeslagen, dus we hadden privéles in Zeist. De kinderen kregen direct bij binnenkomst een blinddoek om. ‘Kom nu je jas maar ophangen’, zei de mevrouw die ons begeleidde. ‘Volg mijn stem maar.’

Daarna vertelde zij over de verschillende vormen van slechtziendheid. Je kunt helemaal blind zijn, maar het komt ook veel voor dat mensen alleen nog maar een kokervisie hebben. Dan kun je vaak wel lezen, maar heb je toch hulp nodig om je op straat te kunnen bewegen.

Veel van die hulpmiddelen mochten we proberen. Leesloeps in alle soorten en maten, met en zonder lampje. Een brailletypemachine, een braillecomputer en topografische kaarten in braille, die worden gebruikt door kinderen op de school van Bartiméus.

Er is ook een speciaal apparaatje waarmee je kunt ‘voelen’ of je glas vol is, zodat je niet over de rand schenkt.

Maar zelfs daarmee is het nog best lastig. Want waar eindigt de kan en begint je beker?

Ten slotte maakten we onze rondgang door het donkere straatje. Met een rood-witte stok je weg zoeken langs struiken en een geparkeerde auto, aanbellen bij een huisdeur die omgeven is met allerlei ornamenten, een lamp en een windgong: waar zit de bel nou? Ineens zie je hoe de dagelijkse dingen voor sommige mensen heel anders zijn. Daar mag je best eens bij stil staan.
———————
Links
Hoe doet ze het!
5 november 2009
‘Weet je, Jet’, zei Philip, ‘als je iets graag wilt, moet je er juist niet op hopen. Dan kan het alleen maar meevallen. Zoals nu, ik dénk dat er geen schone onderbroeken in mijn la liggen, maar ik ga toch even kijken.’

Er zijn mensen die niet begrijpen waarom ik er geen baan bij neem: ‘Wat doe je nou zo’n hele dag?’
Er zijn ook mensen die juist vragen hoe ik het voor elkaar krijg, thuisonderwijs geven en voorbereiden én een peuter én al die andere dingen die er bij iedereen dagelijks bij komen.
Ik kan u zeggen, sommige van die dingen schieten er weleens bij in.

Kinderboeken voor alle vakken
2 november 2009
Soms is het moeilijk om goede boeken te vinden bij bepaalde onderwerpen. Geschiedenis en aardrijkskunde zijn geen enkel probleem – om alle moois op dat gebied uit te lezen heb je drie levens nodig.
We zijn nu bijvoorbeeld bezig in Soldaat Wojtek van Bibi Dumon Tak, een waargebeurd geschiedenisverhaal uit de Tweede Wereldoorlog. En we moeten telkens even stoppen om tegen elkaar te zeggen hoe leuk het is.
Zó wil ik eigenlijk ook graag dat de kinderen biologie leren, natuurkunde of wiskunde.*) Op dat gebied is de literatuur toch wat dunner gezaaid. Maar ze is er wel.
Dietrich Grönemeyer schreef De kleine dokter. Daarin wordt de twaalfjarige Nanolino door een bijzondere machine verkleind en maakt hij een reis door het menselijk lichaam.

Hij leert over anatomie, organen en ziekten, medische technologie en ook over natuurlijke geneeswijzen. Dat laatste is niet altijd in mijn straatje (onder meer acupunctuur en ayurveda), maar alle alternatieven worden aangevoerd door de grootmoeder van Nanolino, zodat duidelijk is wat traditioneel en door de wetenschap aanvaard is. Genoeg gespreksstof, mooie illustraties en microscopische afbeeldingen van organen en weefsel. Bij de internetboekwinkel kun je hier een paar bladzijden van De kleine dokter lezen.
Naast de menselijke biologie is er natuurlijk ook veel over dieren te leren uit kinderboeken. Ik heb al eerder verwezen naar Midas Dekkers, bovenmeester van de biologieschool, maar ook Ruik eens wat ik zeg van (daar is ie weer) Jan Paul Schutten is een geweldig voorbeeld van hoe je van alles over planten en dieren te weten kunt komen zonder schoolboek.**)
En soms krijg je zomaar tips aangereikt van inspirerende mensen. Aan de hand van het boek Science Through Children’s Literature heeft thuisonderwijscollega H. een paar geweldige Nederlandse varianten gemaakt. Met de prentenboeken De spin die het te druk had en Een zaadje in de wind (beide van Eric Carle), doet zij mooie suggesties voor diverse bèta- en gammavakgebieden.
Zelfs wiskunde kan met literatuur. Deze Vlaamse collega vol goede ideeën liet het me zien:
uitgeverij Kluwer heeft met de serie Bolleboos zoiets geweldigs gemaakt. Wiskunde en Jules Verne. Phileas Fogg die zijn reis om de wereld in tachtig dagen maakt, en jij kunt uitrekenen hoe hij moet reizen, waar het mis kan gaan, hoe vaak hij de zon ziet opgaan. Het is een heuse lesmethode (en dus peperduur), maar wel eentje waarvan er meer gemaakt mogen worden.
Voor kinderen vanaf een jaar of elf die al een stevig wiskundefundamentje hebben: De reis om de wereld in 80 dagen. Hier en hier kun je het boek inzien – het lijkt twee keer dezelfde verwijzing, maar je kunt op beide links verschillende pagina’s bekijken.
Ten slotte kreeg ik van thuisonderwijscollega en bijna-buur V. een mooie rekenles aan de hand van Gullivers reizen. Helemaal gratis en hier te downloaden, gemaakt door een bevlogen leraar. Voor de wiskundereis met Phileas Fogg is beduidend meer rekenondergrond en -inzicht nodig, en deze Gulliver is leuk voor jongere kinderen, vanaf een jaar of acht.

———————-
*) In dit stukje heb ik iets gezegd over mijn keus voor het gebruik van kinderboeken in plaats van schoolmethodes. In het intro ‘Thuisonderwijs, zo zijn onze manieren’ staat daar nog meer over.
**) Zie boekenlijst onder ‘Biologie’ voor meer suggesties.
Prijzen
23 oktober 2009
Dit is Philip als de dingen tegenzitten. Als zijn walkietalkie stuk is en het lukt hem niet die te repareren. Als hij zich heeft voorgenomen dagelijks een stukje te schrijven en de writer’s block toeslaat. Of als hij iets wil opzoeken maar niet weet waar te beginnen en eigenlijk liever wacht totdat ik het voor hem doe. Bij Philip wil het glas nog weleens half leeg zijn. Dan lukt het hem niet zichzelf als Baron van Münchhausen aan zijn eigen haren uit het moeras te trekken en geeft hij liever op. ‘Dan niet.’
Dat wisten we al toen hij klein was, je kent je kind. En hoewel we niet bij iedere kleurplaat hosanna riepen, deed een zekere mate van aansporing en complimentering hem goed.
Maar een paar jaar geleden las ik Unconditional Parenting van Alfie Kohn. Als ik even kort door de bocht parafraseer, dan zegt Kohn dat kinderen het nodig hebben dat er onvoorwaardelijk van hen gehouden wordt. Daar zal niemand het mee oneens zijn. Vervolgens concludeert hij dat elke vorm van aansporen of prijzen door kinderen uitgelegd wordt als een voorbehoud. Als een ouder zegt: ‘Wat heb je dat goed gedaan’, dan interpreteren kinderen dat intuïtief als: ze accepteren me alleen maar omdát ik het goed gedaan heb. Ik moet hun liefde verdienen. Conclusie: als een kind je iets knaps laat zien, geef dan geen compliment, maar vraag of hij er zelf tevreden mee is. Geen geprijs meer.
Ik vond het plausibel klinken. Een tijdlang was ik tamelijk voorbeeldig in mijn niet-prijzen. Zo voorbeeldig dat Philip me na een paar maanden toebeet: ‘Waarom zeg je nou nooit meer dat je iets goed vindt?’ Dat was nadat ik de fase van ontwenning in ogenschouw had genomen.
Sindsdien juich ik hem gewoon weer toe als hij vastzit. En schrijf ik onder al zijn stukjes ‘Goed zo, bink’ of iets van die strekking. Daar groeit hij van en het geeft hem net dat zuchtje wind onder zijn vleugels dat hij nodig heeft om door te vliegen. Sommige mensen hebben wat meer externe motivatie nodig dan anderen. Juist van de mensen die onvoorwaardelijk van hen houden.
Leren met literatuur
23 september 2009
Het is geen verrassende mededeling op zichzelf, maar ik probeer zoveel mogelijk kwalitatief goede jeugdliteratuur te gebruiken bij het onderwijs van de kinderen.
Die mooie boeken worden in onze kringen ook wel levende literatuur genoemd: living books, in navolging van Charlotte Mason, een onderwijskundige die veel goede ideeën heeft nagelaten voor het (thuis)onderwijs. Ik denk dat kinderen daar goed op gedijen, dat ze er meer plezier aan beleven en dat ze er net zoveel of zelfs meer van leren dan van lesmethodes.
Lesmethodes of kortweg ‘methodes’ zijn de boekenreeksen die een school per vak gebruikt. Zo biedt iedere educatieve uitgeverij haar eigen ‘methode aardrijkskunde’ aan (of methode natuur, taal of rekenen) en probeert scholen ervan te overtuigen dat déze methode zich werkelijk onderscheidt van alle andere.
Er zitten prima lesboeken bij maar ze zijn, uiteraard, bedoeld voor scholen. Als je dertig kinderen hetzelfde wilt leren, of zelfs alle kinderen van Appelscha tot Roermond, dan is het handig om één methode te hebben, zodat je niet per kind een apart lesprogramma hoeft te maken.
Bij privéonderwijs ligt dat anders. Dan kun je zonder veel moeite het aanbod afstemmen op het kind zelf. Ik heb al eens laten zien dat het niet zo ingewikkeld is om erachter te komen wat een kind ongeveer ‘moet’ weten op een bepaalde leeftijd – afgaande op wat er op school geleerd wordt (zie ‘Op niveau’) – dus dat hoeft geen reden tot paniek te zijn. Des te meer tijd voor mooie boeken.
Gisteren hadden we een goed voorbeeld van literatuur in combinatie met een methode. Philip was bezig in Topklassers, dat ik begin dit jaar op de onderwijsbeurs had gekocht. Het mooie van deze boeken is dat ze een aanzet geven om zelf op onderzoek uit te gaan. In dit geval kreeg Philip de opdracht om op te zoeken:
a) wie de eerste gemotoriseerde vliegmachine de lucht in kreeg
b) wie de eerste stappen op de maan had gezet en welke bijkomende informatie je kon vinden over de raket en de astronaut zelf, en
c) wie het eerste levende wezen in de ruimte was.
Onmiddelijk greep Philip naar de boeken van Arend van Dam. Uit Lang geleden… herinnerde hij zich het verhaal van Neil Armstrong op de maan, dat van de gebroeders Wright stond in In een land hier ver vandaan… Om hem op weg te helpen met vraag c) zonder dat hij direct zijn heil bij Google hoefde te zoeken, pakte ik het kinderboekenweekgeschenk 2006 voor de mooiste versie over het astronautenhondje Laika.
Terwijl hij ondersteboven op bed Bibi Dumon Tak lag te lezen, prees ik me gelukkig.

Viva la Vida
7 september 2009
Over het algemeen probeer ik te benadrukken dat thuisonderwijsfamilies niet zoveel verschillen van schoolgaande families. Natuurlijk, als je er voor het eerst van hoort, is het vreemd – het is geen alledaagse keuze. Maar behalve dat wij de lesstof er wat sneller doorheen jassen omdat we gewoon minder last hebben van de ‘ruis’ van 25 andere kinderen (Cato niet meegerekend), zodat er meer tijd overblijft voor dingen die andere gezinnen na schooltijd of in het weekend ondernemen, wijkt het in de praktijk allemaal niet zoveel af. Onze kinderen spelen met dezelfde vriendjes, zitten op dezelfde sportclubs en kennen dezelfde frustraties en triomfen.
Maar één dag per jaar vieren we dat ene verschil. Op de dag dat alle scholen in Nederland weer beginnen, is er in Rotterdam een Not Back To School Party.

De naam is samen met het gebruik overgenomen van Amerikaanse thuisonderwijzers die aan het eind van de zomer doodgegooid werden met Back to Schoolaanbiedingen, -buurtfeesten, -lunchtips en -aftelkalenders en die bij wijze van ludiek alternatief een thuisonderwijsfeest organiseerden.
Vorig jaar was de eerste keer dat we de uitnodigingen landelijk verstuurden en dit jaar was de opkomst nog hoger.
Grote kinderen, piepkleintjes, vaders, moeders en grootouders, pasbegonnen en veteraan, met 227 mensen in het zonnetje. Ervaringen opdoen, verhalen uitwisselen, scharrelen met takken, water en modder.

Als vikingen en indianen door de bosjes rennen, maïs poffen boven een kampvuur, net als vorig jaar.


Voor wie er geen genoeg van kan krijgen, staat op het blog van vriendin M. nog een sfeerimpressie.
Ik wilde eigenlijk afsluiten met: ‘wat mij betreft kan het schooljaar beginnen’, maar eigenlijk is dat allang begonnen natuurlijk. Het houdt nooit op. Het stopt niet om drie uur ’s middags en het begint niet op 7 september. Hoe kun je nou stoppen met leren? Denn mein Leben ist lernen. Leve het leven!

