Gouwe ouwe
15 juni 2009

Toen we laatst Edward Tulane nog eens uitlazen en alledrie even stil waren over het einde, wist ik het weer zeker: er is weinig wat ik zo belangrijk vind als samen voorlezen.
Meer dan al het andere hoop ik dat mijn kinderen zich dit later herinneren. De uren die we doorbrachten op de bank, op bed of met onze ruggen tegen de verwarming. Cato die over ons heen rolde terwijl wij lazen en lazen en lazen. Op koude novembermiddagen met z’n allen onder het dekbed, op warme zomeravonden voor het slapengaan.
Dat ik wilde pauzeren omdat ik een schorre keel kreeg en dat zij dan de taken verdeelden -Philip zette koffie, Jet schonk limonade in- zodat we snel weer verder konden lezen. Hoe Cato inmiddels in slaap gevallen was, zodat we nog iets langer door konden gaan. Hoe ze schaterden als John een van zijn accenten opzette, hoe ze huilden om het een-na-laatste hoofdstuk van superdetective Blomkwist en zijn bende van de Witte Roos. Hoe het gelukkig toch nog goedkwam.
Onze laatste vondsten zijn uit de oude doos. Sommige hadden we al eens gelezen, andere lazen we voor het eerst.
Het huis aan de rand van de zee van Randall Jarrell is de bijzonderste van het rijtje. Het verhaal is heel eenvoudig, maar prachtig. Over een familie die elkaar vindt, in plaats van bij elkaar geboren wordt. Het zijn de poëtische zinnen die het hem doen: de manier waarop de zeemeermin de taal van de jager leert, de fouten die ze maakt, associaties die gelegd worden. De manier waarop de personages zich ontvouwen door middel van de taal. Niet ingewikkeld, niet spannend, wel heel erg mooi. Hier kun je het boek gedeeltelijk online lezen.

Theelepelvrouwtje van Alf Prøysen. Ik kende vaag het verhaal, ik kende de tekenfilm van woensdagmiddag-na-schooltijd, het enige moment waarop ik overdag tv mocht kijken (het enige moment waarop er overdag tv was), maar ik kende het boek niet.
Het heeft altijd tot de verbeelding gesproken: stel je voor dat je zó klein kunt worden, dat je op de rug van een gans mee zou kunnen vliegen, zoals Nils Holgersson. Of in je eigen speelgoedtrein rondjes zou kunnen rijden, zoals Johannes met Wiplala – om maar eens twee van onze grootste boekenlievelingen te noemen. Het theelepelvrouwtje behoort niet tot de meest geëmancipeerde protagonisten van de wereldliteratuur, maar ik ben blij dat ik haar heb leren kennen. Wat is er toch veel leuks geschreven de afgelopen eeuw.
De kleine Nicolaas van René Goscinny.
Philip houdt al jaren van Goscinny om zijn Asterixen, maar nu is er voor ons allemaal nog een reden bij gekomen. Kleine Nicolaas en zijn klasgenoten. Verrukkelijk en zó geestig. Philip en Jet moesten er de eerste twee verhaaltjes even inkomen, maar toen ze de toon en het ritme te pakken hadden, vonden ze het net zo geweldig als wij. Als John er ‘s avonds uit voorgelezen heeft, krijg ik de volgende ochtend bij het ontbijt een samenvatting van de hoogtepunten. Het eerst deeltje hebben we uit, maar gelukkig zijn er nog drie bundels met verzamelde Nicolaasjes om ons op te verheugen.
Paulus en het draakje van Jean Dulieu. Ja hoor, daar is ie weer. Telkens als we een poosje geen Paulussen gelezen hebben, vergeet ik weer hoe on-wijs leuk ze zijn en hoe knap gemaakt. Deze hebben we bijna twee jaar geleden voor het laatst gelezen, op vakantie. Ik wist een groot deel van het verhaal niet meer, maar Jet zat iedere keer te gieren van voorpret als we bij een stukje kwamen waar ze vorige keer zo om moest lachen. Magistraal.

Paulus en Sinterklaas
1 december 2007
Deze vond ik nog tijdens het opsnorren van hoorspelpagina’s. Hoewel ik me plaatsvervangend geneer voor het accent van Zwarte Piet, zie ik het maar als een uitwas van de tijdgeest. En omdat hij verder zulke mooie dingen gemaakt heeft, vergeef ik het Jean Dulieu.
Duurt ongeveer een kwartiertje.

Eikelpaard
13 juni 2007
We hebben Paulus en de eikelmannetjes uit. En eerlijk is eerlijk, het was toch een heel leuk boek. Toen ik vanmorgen uit bed stapte, zat Jet al aan tafel met een paar halfverdroogde eikeltjes, een tube lijm en een bosje lucifers. De eikeltjes had ze vorig jaar met oma geraapt en van de meeste hadden ze toen samen een ketting geregen. De overige eikeltjes waren bewaard in een mooiedingendoosje, en die had ze nu weer tevoorschijn gehaald. Geïnspireerd door Paulus wilde ze een eikelpaard maken.
Ze zat nog te twijfelen hoe ze het precies zou aanpakken en wilde met lijm de luciferhoutjes eraan plakken, toen Philip met het idee kwam een ijzeren satéprikker te gebruiken. Vier gaatjes voor de benen, eentje voor de hals. Jet heeft de lucifertjes op maat gebroken en erin geprikt. Oren van tandenstokers en met stift een paar ogen erop. Helemaal zelf bedacht en gemaakt. Knap, hè?

Boskabouter
29 mei 2007
We hebben Paulus ontdekt. Twee jaar geleden heeft Philip de luisterboeken een poosje grijsgedraaid, maar de echte boeken had ik nog nooit gelezen. Totdat ik in november Paulus de hulpsinterklaas voorlas en we daar zo van genoten, dat ik later Het grote boek en Het grote toverboek van Paulus de boskabouter uit de bibliotheek meenam. Het is enig! Vreselijk grappig, mooi geschreven en per bladzijde leren ze minstens één nieuw woord. Van de week heb ik Paulus en de eikelmannetjes geleend (uiteraard naast pareltjes als Een cap en laarzen, De zadeldief en Verdwaald in de sneeuw: een veulen verovert zijn plek), maar die vind ik vooralsnog tegenvallen. Volgens velen is De eikelmannetjes het beste werk van Jean Dulieu, en nou zijn we pas halverwege, maar ik vind het een stuk minder dan -noem eens wat- Paulus en Kenarrepoere. Ik vind het stroever (voor)lezen, het is soms akelig eng voor het slapengaan en ik mis Oehoeboeroe en Salomo, die veel leuker zijn dan de eikelmannetjes.
Wat wel leuk is: bij de uitgave van 1998 zit een cd met een hoorspel uit de jaren ’50. Volgens mij zijn de rechten al verlopen en bovendien is de cd niet meer te koop, dus ik heb de vrijmoedigheid genomen om het for old time’s sake in een mp3′tje te zetten. Voor als je een kwartiertje over hebt.
Paulus en de verloren toverstaf







