De koeien hebben staarten
13 november 2009

Toen Philip net geboren was, vond ik het meteen jammer dat hij nooit Sint Maarten zou vieren. In ons deel van Nederland wordt er niet aan gedaan en het leek me een mijl op zeven om op doordeweekse dagen na schooltijd naar mijn geboortedorp te rijden. Maar ik had er zelf zulke heerlijke herinneringen aan. Het maken van de lampion, het vooruitzicht van ’s avonds op straat lopen met honderd lichtjes overal, de ongehoorde hoeveelheid snoepgoed.
Toen we jaren later voor thuisonderwijs kozen, zag ik mijn kans schoon. NIet gehinderd door schooltijden of vakantiedagen kon de traditie voortgezet worden. En dus is Sint Maarten voor Philip, Jet en Cato ook het begin van het feestseizoen, met dezelfde heerlijke verwachting van lichtjes op straat en een eindeloze suikerberg.
Na twee middagen noeste arbeid konden de lampions getest worden in het donkerste halletje van ons huis.

Ieder zijn passie, ieder zijn eigen ontwerp.

En degene zonder passie mocht een lampion uitzoeken op Juf Janneke. Het werd een paarse Barbapapa. Let vooral op het knappe staaltje creativiteit dat daarop is losgelaten.

Ter verhoging van de feeststemming blijven we altijd een paar dagen bij oma logeren. Dus togen we op elf november met drie lampions en een auto vol logeerspullen naar West-Friesland. In de slagregens. Gelukkig was het droog toen de avond begon. We konden alle gerepeteerde liedjes uit volle borst zingen.

Cato deed de verkorte route. Na het tweede tuinpad vond ze het eigenlijk al welletjes, maar met veel aansporing konden we het nog zo’n tien huizen rekken – daarna ging ze alvast met oma naar huis. Ze had meer snoep in haar katoenen buikzak dan ze ooit eerder bij elkaar had gekregen, dus waarom zou je daar niet onmiddellijk van profiteren.
Philip en Jet hadden na de eerste huizen een flukse schatting gemaakt van het aantal deuren dat nodig was voor de gewenste hoeveelheid snoep. Met resultaat.

Toen ik Philip welterusten kuste, krulde hij helemaal op onder het dekbed en zei genietend: ‘Er is maar één avond per jaar waarop je zoveel snoep mag eten. Het was heerlijk.’ Reden genoeg om de traditie voort te zetten.
Goochelen met eten
13 oktober 2009
Philip, Jet en Cato zijn dol op goocheltrucs, net als alle kinderen waarschijnlijk. Ze hebben het met mij niet erg getroffen, want ik heb heel weinig met dit soort variété. Knappe jongen die me een circus in krijgt. Ik weet niet wat het is – ik vind het heus kunstig, maar het doet me gewoon weinig en ik heb gauw last van plaatsvervangende schaamte.
Gelukkig heeft John als kind een niet te verwaarlozen carrière met de goocheldoos op zijn naam staan. Zowel in huiselijke kring als in brede opzet, schuifdeuroptredens voor de buurt, een dubbeltje entree per kind. Zover is het bij ons thuis nog niet, maar zo nu en dan vindt Philip of John wel een truc die zo’n succes is, dat iedereen die op visite komt eraan wordt onderworpen en versteld staat.
Deze had ook bij het kinderboekenweekthema over magie gepast, maar ‘Aan tafel’ voegt zich net zo makkelijk. Ik heb de naam van dit blog tenslotte niet voor niks gekozen. Op straffe van eeuwige uitsluiting van het Gilde der Goochelaars zal ik nu voor u ontvouwen:
** Het mysterie van de doorgesneden banaan **
Verbijster het publiek door een ongepelde banaan met de hand door te snijden, terwijl de schil ongeschonden blijft.
Benodigdheden
• 1 ongeschilde banaan
• 1 naald of speld
Voorbereiding
Prik halverwege de banaan met de naald een klein gaatje in de schil. Schuif de naald zo ver, dat je bíjna door de hele banaan heen prikt, maar zorg dat de naald er niet aan de andere kant uitkomt! Beweeg de naald van links naar rechts in de schil, zodat het binnenste door de naald doorgesneden wordt.

Presentatie
Laat het publiek de dichte banaan van alle kanten zien. Vertel dat je met je telekinetische gaven de banaan doormidden kunt snijden, zonder dat je door de schil heen snijdt.
Vervolgens kun je het zo dol maken als je wilt: gooi er een servet overheen, blaas erop, laat het publiek aan een doorgesneden banaan denken, roep simsalabim of snijd met je hand denkbeeldig over de banaan.

Als de spanning op zijn hoogst is, pel je de banaan voor de ogen van je publiek en… voilà.

Laat je overstelpen door mateloos ontzag.
Tip: zorg dat het gaatje in de schil nauwelijks zichtbaar is, door bijvoorbeeld alle aandacht te richten op de doorgesneden helften en de ’goede’ delen van de schil. Het is handig om de truc eerst een keer te oefenen, zodat je een beetje aanvoelt hoe je het beste te werk kunt gaan.
In een tent
31 augustus 2009

De kinderen wilden graag kamperen. Philip en Jet dan, want Cato vindt alles leuk, als ze er maar haar schoenen voor kan aantrekken en kan stralen: ‘Waar gaan we heen?’
Kamperen dus. Nou vind ik kamperen wel leuk, zolang het droog is. Of in ieder geval niet zó nat dat je met geleende vlonders van je campingburen een brug naar je voortent hoeft te leggen. Zoals een paar jaar geleden. Ook zitten de wc’s me nooit zo lekker op een camping. Je hebt toch altijd het idee dat je de dysenterie van je voorganger zit op te doen – terwijl andere kampeerders in dezelfde ruimte hun afwas aan het doen zijn.
Regen vonden Philip en Jet nou juist wel leuk. Gezellig, dat getik op het tentdoek. Ze opperden of we niet in oktober konden gaan, zodat we een beetje regenzeker weer hadden. Maar ik had iets geweldigs gevonden. Een gehuurde, opgezette alles-erop-en-eraan-tent met bedden. En een koelkastje. Met als apotheose: eigen sanitair. We gingen in augustus, want ik vind getik op tentdoek ook heel gezellig, maar zonnige maaltijden in de buitenlucht nog veel gezelliger.
En och, het was zo leuk. Zonnige dagen, zoele avonden en ’s nachts fris genoeg om in een koele tent te slapen. Zelfs twee nachten een beetje regen. Het ‘eigen sanitair’ was net zo hartverwarmend als het geklonken had. Links achter in dat huisje, douche, wasbakje en wc.

Verder was het kamperen zoals kamperen bedoeld is. Samen rustig wakker worden.

Ontbijten en zwemmen. Cato plukte ’s morgens rond kwart over acht haar lycraatje van het wasrek: ‘It heb mijn zwempat vast aan!’ en droeg het de hele dag, ook onder haar kleding, op alles voorbereid.
Voor Jet had ik het Breihandboek voor coole meiden meegenomen – ze wilde al een poosje ‘iets’ op de pennen zetten. De toonzetting van het boek is niet helemaal toegesneden op een zevenjarige, maar dat maakte het voor Jet des te aantrekkelijker. Ze is tenslotte erg cool, en in de tips om leuke dingen ’voor je vriend’ te breien zag ze geen barrière.
Niet onbelangrijk trouwens: de instructies in het boek zijn zo duidelijk, dat zelfs niet-breiende ouders ermee kunnen opzetten, gevallen steken oprapen en makkelijke jacquardpatronen inbreien.
Voor Philip bleek er ook iets in te staan. Terwijl Jet zich aan een hoesje voor de mobiele telefoon zette, vond hij een vingerloze handschoen die zo vet was dat hij onmiddellijk wilde leren breien.

Omdat we normaal altijd buiten het seizoen op vakantie gaan, maakten we deze keer kennis met een heel nieuw fenomeen: Het Animatieteam. De eerste avond was het even schrikken toen het golfkarretje aan onze eettafel verscheen en twee mensen met pruiken, grote brillen en schmink ons grappend en grollend aanspoorden om naar het ‘Schatertheater’ te komen. Philip was juist even naar het toilet en had bij terugkomst het animatieteam zien staan. Pas nadat het karretje op veilige afstand was weggereden, kwam hij met schichtige blik achter de tent tevoorschijn: ‘Zijn ze al weg?’
Toen we ’s avonds gingen kijken in het openluchttheater bleek het erg mee te vallen, vond hij. Het viel zelfs zo erg mee dat hij en Jet de avonden erop met z’n tweeën richting het theater trokken om alvast een plek vooraan te hebben, met goed zicht op het animatieteam dat veel met water gooide, elkaar met pindakaas en hagelslag besmeurde en interactie met het publiek zocht: ‘Zal ik de waterballon lekprikken, jongens en meisjes?’
De dagen regen zich aaneen met ijsjes eten, wijntjes drinken, boekjes lezen, vakantievriendjes maken, shutteltjes slaan.

Drie keer per dag op bezoek bij de damherten, geiten en schapen, die verzot bleken op pasgevallen eikeltjes.

We raapten handenvol eikeltjes en deelden links en rechts uit, zodat we de zachte neuzen konden aaien. Vooral de hertenbok werd een vriend voor het leven, die bleef geduldig wachten tot je opnieuw geraapt had en schraapte met zijn hoef over de grond als je niet snel genoeg over de brug kwam.
Vakantie.

Tweede positie
11 augustus 2009
Jet wilde graag een tutu, om haar balletoefeningen wat meer elan te geven. Haar eenjufsballetschool is met ingang van september opgeheven en de animo is nu ook weer niet zo groot dat Jet naar een nieuwe balletschool wil, maar de idylle van zo’n echte ballerina blijft toch lonken.
Een tutu maken is een fluitje van een cent. Schijnt. Handige moeders maken zoiets in een handomdraai. Onhandige moeders kijken of er ook instructies op internet te vinden zijn. Liefst visueel, met stap-voor-stapfoto’s. En dan blijkt er gewoon een filmpje in je schoot te vallen met de titel How to make a no sew tutu. Zonder naaimachine dus. Wat zeg ik, zonder naald of draad.
De toezegging dat een en ander slechts drie kwartier in beslag neemt, is voor onhandige moeders wat krapjes genomen. Ga uit van het dubbele. Maar dan nog. Dan ben je nog monter genoeg om er óók een voor de sidekick te maken.

Elf november
17 november 2008

Soms is er zo veel te leven, dat er nauwelijks tijd is om er over te schrijven. We zijn druk geweest met sport, vrienden en vriendjes, en met de voorbereidingen voor en afterparty van Sint Maarten.
Sint Maarten is een feest uit mijn jeugd, waaraan ik heerlijke herinneringen bewaar. Het was altijd het begin van een seizoen vol feestelijkheden en donkere avonden met lichtjes en gezelligheid. In mijn huidige wooncontreien wordt het niet gevierd, daarom ga ik jaarlijks met de kinderen terug naar mijn ouderlijk huis om de traditie door te geven. Bijven we meteen een paar nachten logeren.
De kinderen verheugen zich er al weken op. We oefenen de liedjes en maken lampionnen - soms van een oud melkpak, dit jaar van gekleurd karton en papier maché.

De lol zit hem in de voorpret, het uitkiezen van een ontwerp, nadenken over materiaal en uitvoering. Dergelijke huisvlijt overtreft iedere fabriekslampion.



Volgende keer gaan we bij het papier-maché proberen vliegerpapier te gebruiken in plaats van krantenpapier. Dat zal vast een mooi resultaat geven en dan hoef je ook de opgedroogde machébol niet meer te schilderen. Kun je zonder samengeknepen billen het weerbericht afwachten, omdat je niet meer bang hoeft te zijn dat je in een herfstbui op sintmaartenavond met een snotterige verfbom aan een stokje loopt.
We hadden trouwens mazzel met het weer: de hele route bleef het droog. Jet had, geïnspireerd door het verhaal van Sint Maarten in de voorgaande week nog een eigen tekst gemaakt op een wijs die het midden hield tussen ‘Sinte, Sinte Maarten’ en ‘Sinterklaas goedheiligman’. Philip wilde eerst niet meezingen (‘Jet, dat lied kénnen de mensen toch niet!’) maar was later de eerste om te zeggen dat zijn zus het helemaal zelf gemaakt had, toen ze er veel bewondering mee oogstten aan de deur.
Sinte Maarten kwam eens een keer een man tegen
Sinte Maarten vroeg aan de man:
‘Wat wilt u van mij gegeven?’
De man zei: ‘Ach, ik heb het zo koud.
Geef mij een stuk van uw mantel,
en ook een beetje gou-oud.’

De opbrengst was weer ouderwets enorm. Zelfs Cato had een katoenen tas vol. Ik had gedacht dat ze het te spannend zou vinden in het donker, maar haar verlegenheid bleek welgeteld één tuinpad te duren. Toen ze zag dat Philip en Jet zomaar iets uit een schaal mochten pakken, ging ze los. De lampion hoefde ze eigenlijk niet. En zingen ook niet. Maar ze kon wel heel goed snoepjes aanpakken en in haar tas doen. En er weer uithalen.

Meestal wordt er, na de eerste braspartij direct bij thuiskomst, niet zo heel veel meer naar het snoep omgekeken. Het gros verdwijnt in de snoeptrommel, waar we het komende halfjaar van kunnen eten.
Het feestseizoen is begonnen.
Symbolen
3 november 2008

Ik heb altijd veel bewondering voor juffen. Mensen die niet rechtstreeks durven zeggen dat zij thuisonderwijs belachelijk vinden, zeggen soms: ‘Ik zou het niet kunnen, mijn eigen kinderen lesgeven’. Buiten dat zij vaak een verkeerde voorstelling van onze dag hebben, namelijk dat we van half negen tot drie rond de tafel zitten terwijl ik leerstof bij de kinderen naar binnen lepel, waarbij ze op gezette tijden gelucht worden, vergeten mensen ook dat je je eigen kinderen heel goed kent.
Als je weet dat je kind zichzelf de tafel van 9 heeft geleerd, dan hoef je hem niet nog eens vier bladzijden uit een werkboek te geven. Ik heb geen citotoets nodig om te weten wat mijn kind kan; dat zie ik dagelijks. Net zoals ik geen toets nodig heb om te controleren of Cato wel kan lopen. Soms weten kinderen meer dan je dacht, omdat ze dat ergens opgepikt hebben, maar ook daar kom je als ouders vanzelf achter, want je voert veel gesprekken met je kinderen.
Als juf is dat anders. Menselijkerwijs kún je van dertig kinderen hun voortgang niet weten, zeker niet als je ook veel tijd moet steken in bijzaken als orde houden (op de Pabo wordt veel aandacht besteed aan zogeheten klassenmanagement) en weinig tijd met kinderen individueel kunt doorbrengen. Je moet voor ieder kind in de gaten houden op welk niveau het ongeveer zit, zodat je je aanbod daarop kunt aanpassen. Daarom vind ik juffen zo knap.
Wanneer ik een zondagsschoollesje voorbereid, vind ik het nog weleens lastig om rekening te houden met de verschillende niveaus. Je wilt iets substantieels bieden dat interessant is voor iedereen tussen de vier en twaalf jaar, waar ook nog een tastbaar werkje uit voortkomt zonder dat je hoeft terug te vallen op een (gaap) kleurplaat. Dat is soms best een klus.
De laatste keer ‘deden’ we Jozef, en wel de schenker en de bakker. Dat is een verhaal met een duidelijke symboliek, daarom leek het me mooi om het die zondag wat meer over symbolen te hebben. De kerk staat er immers vol mee. En je hebt er ook nog iets aan als je later schilderijen gaat bekijken.
We bedachten samen welke symbolen de kinderen kennen uit verhalen en beelden, de dingen die terugkomen van de gebrandschilderde ramen tot aan de kerkboeken. Een kaars of duif staat symbool voor de Heilige Geest, druiven verwijzen naar het bloed van Christus, een Franse lelie naar de drie-eenheid.
Bij wijze van knutsel had ik kleurplaten uitgeprint die de kinderen met raamstickerverf konden overtrekken: kleurplaat in een insteekmapje, inkleuren met de speciale verf, een dag laten drogen en je hebt een afneembare raamsticker. Ik heb onder meer gebruikgemaakt van deze site met christelijke symboliek, maar internet staat natuurlijk tjokvol kleurplaten.
Hieronder een labarum, de eerste twee letters van Christus in het Grieks (Chi: χ en Rho: ρ)

en natuurlijk een ichtusje.

Philip en Jet hadden de smaak te pakken en hebben de hele verdere week verwoed raamstickers voortgebracht (met dit spul, voor € 1,89 te koop bij Action).
Nadat de zondagsschoolplaten op waren, greep Jet verder op de profanere Smurfen, zodat er op ons raam nu náást een verzameling religieuze symboliek ook een gezellige blauwe vriend naar binnen kijkt. Als je in een creatieve stroom zit, moet je over dat soort marginale grenzen heenkijken.
Leren kijken
11 september 2008
In ons gezin is niemand van nature begiftigd met een talent voor tekenen. Als we samen verven of kleuren, is het dus altijd non-figuratief, om het maar met enige gratie te zeggen. We zijn meer van de Vlekken In Mooie Kleurschakeringen, waar je een wereld van verbeelding op los kunt laten.
Maar hee, weer zo leuk van thuisonderwijs: als je iets niet kunt, dan leer je het samen. Ik had een boek uit de bibliotheek meegenomen van Terry Longhurst, van de bekende I can draw-serie. De boekjes van die serie zijn in het Nederlands ook in een verzameldband te krijgen onder de letterlijke vertaling Ik kan tekenen.
Terwijl Philip voorlas uit Pim, Frits en Ida, wijdde Jet zich aan het tekenen van een paard (altijd verrassend wat ze zal kiezen). De instructies zie je hiernaast – even aanklikken voor de grote foto.
Longhurst doet het stap voor stap voor, en Jet probeerde het zelf na te doen. De eerste poging ging aardig.

Dat was even inkomen, vond Jet en ze deed een tweede poging. Die bestond net als in het voorbeeld inderdaad uit cirkels, ovalen en strepen, alleen leek het nog niet erg op een paard.

De derde poging vond ik zelf fantastisch,

maar Jet moest er bijna van huilen. ‘Zijn nek is veel te dik en hij heeft rare poten! Hij lijkt helemaal niet op het plaatje.’ Ik zei dat het natuurlijk wel tijd kost om iets te leren. Veel doen, kijken waar het fout ging en nog eens proberen.
Een moeder uit onze thuisonderwijsgroep vertelde me dat het bij tekenen vooral gaat om kijken. Zij heeft kunstacademie gedaan en heeft de meest geweldige creatieve tips en ideeën (kijk maar op haar site). Ik vertelde Jet dus dat ik begreep dat goed kijken heel belangrijk is, en we probeerden het nog eens. Nu samen. Soms keek ik en tekende Jet en dan keek Jet en tekende ik een stukje.
En toen kregen we dit.

Daarna heeft Jet de randen wat dikker gemaakt, de basisvormen uitgegumd en hem ingekleurd. Voilà. Alleen maar door te kijken.

