Forensisch onderzoekertje spelen
18 april 2012

Philip en Jet hebben pas een programma afgerond over erfelijkheid. Niet uit een biologieboek, maar je reinste CSI.
Wie is de dader? is een biologieproject van Schooltv voor de eerste klassen van het voortgezet onderwijs. De zaak is als volgt. Er is een moord gepleegd in het Allard Piersonmuseum en misdaadverslaggever John van den Heuvel zal de zaak onderzoeken. Jij hebt de schone taak hem daarbij te helpen.
Het project bestaat uit drie tv-afleveringen en een online game. Op het plaats delict verzamel je sporen die je in een virtueel laboratorium verder onderzoekt. Gaandeweg leer je steeds een beetje meer over erfelijkheid, chromosomen, DNA, cellen (verschillen tussen planten- en menselijke cel) en vingerafdrukken. Vervolgens moet je een schuldige aanwijzen en deze voor de rechter brengen. Onwijs leuk gedaan.
Philip en Jet hebben uiteindelijk de juiste dader gevonden, hoewel ze één aanwijzing verkeerd geïnterpreteerd hadden. Let erop dat je alle dossiers en filmpjes in het spel bekijkt; ze bevatten meer informatie dan in de tv-uitzendingen gegeven wordt.
Als historische curiositeit nog de Lombrosotest: kun jij een misdadiger op zijn uiterlijk herkennen? Cesare Lombroso, de negentiende-eeuwse Italiaan naar wie de methode vernoemd is, dacht van wel. Hij was gevangenisarts en criminoloog en ervan overtuigd dat een criminele inborst erfelijk bepaald is. Zo vond hij dat je aan het uiterlijk van mensen kunt zien of zij misdadig geboren zijn. Diepliggende ogen, brede kaken, vlezige lippen, afwijkende oren - het zijn allemaal aanknopingspunten.
Nou heb ik aan een half woord genoeg, dus ik zeg: heterdaadje.

En dan heb ik de tronie van Hans van Breukelen nog het voordeel van de twijfel gegeven.
Je kunt hier een Lombrosotest over schrijvers doen. Bepaal zelf: is het een schrijver of is het een crimineel?

—
Schooltv-programma Wie is de dader?
- De drie afleveringen.
- Het spel.
- Wie is de dader? voor docenten.
- Wie is de dader? voor leerlingen.
Net als Erik
14 april 2012

Twee jaar geleden heb ik me suf gezocht naar kindvriendelijk materiaal over fotosynthese. Uiteindelijk vond ik het een en ander, maar wie op dit moment meer over planten wil weten, boft. Tot eind augustus is in het Museon in Den Haag de tentoonstelling ‘Plantastic’. Daar wordt van alles gedemonstreerd over de bijzondere, mooie, vreemde en communicatieve eigenschappen van planten.
Als je binnenkomt, voel je je een beetje Erik uit het klein insectenboek. Je stapt in een uitvergrote botanische wereld van reuzenbloemen, reuzeninsecten en reuzehoge ranken met bladeren.

Er zijn veertig verschillende eilandjes met activiteiten. Al puzzelend ontleed je bloemen: stamper, meeldraden, kroonbladeren, kelkbladeren. Je ziet welke manieren planten gebruiken om hun zaden te verspreiden, hoe ze praten, verleiden en overleven.
En ja, je kunt zelf het fotosyntheseproces in een plantje in gang zetten.

Ik vond het stuifmeelhoekje erg bijzonder. Daar staat een ingenieuze opstelling met een cameraatje en een televisiescherm. Het is een soort fictieve microscoop. Als je een bordje met een bepaalde code voor de camera houdt, zie je op het scherm een enorme driedimensionale stuifmeelkorrel.
Ieder bordje bevat een foto van een bloem en met de code op de achterkant krijg je de uitvergroting van het stuifmeel ervan. Gek om te zien wat er zo aan pollen in je neus terechtkomt. De korrel van de madelief lijkt bijvoorbeeld op een kastanjebolster (rechts op de foto onder en hier op google afbeeldingen). Omdat ze zo stekelig zijn, blijven ze makkelijk aan insecten plakken.

De kinderen vonden de supermarkt ook leuk. Daar kon je producten scannen als antwoord op vragen. Welke producten bevatten géén planten? In welke boodschappen zit suiker? En waar zit vanille in?

Ik vind de tijdelijke tentoonstellingen in het Museon nog wel eens tegenvallen. Soms zijn ze te oppervlakkig, dan weer extreem ingewikkeld. Maar dit jaar slaat ie wat mij betreft de spijker op z’n kop. Je moet wel gezellig met je kinderen meelopen, samen ontdekken of uitleg geven. Als je ze in hun eentje loslaat, is de verleiding namelijk groot om langs alle blitse applicaties te racen zonder dat je een idee hebt wat je aan het doen bent. Maar met enige interesse heb je na deze tentoonstelling zo’n beetje alle biologie tot en met -pak ‘em beet, hou ‘em vast- de brugklas achter je kiezen.
Na ‘Plantastic’ hadden we nog wat tijd voor de bovenverdieping. Daar is altijd zoveel te zien, we bestrijken nooit het hele museum met één bezoek. Deze keer bleven de kinderen lang hangen in Al-Arab, de sprookjesachtige kamer uit 1001 nacht.

Na gedane arbeid is het goed chillen.

Ze droomden weg op dikke, zachte kussens, terwijl Sherazaad haar 789e nacht inging. Het verhaal van Hassan uit Basra. Met toverpoeders, tulbanden en paleizen. Na de verleidingstactiek van planten, hoorden we nu over meisjes, mooier dan de maan. ’Met ogen als sterretjes, borsten als appeltjes en een navel waar wel een pond muskus in past.’ Dat waren nog eens schoonheidsidealen.
—-
-
Associaties met Erik of het klein insectenboek kun je hier creatief botvieren.
-
De tentoonstelling ‘Plantastic’ is tot 25 augustus 2012 te zien in Museon in Den Haag.
-
Om een idee te krijgen hier de plantenspeurtocht in pdf. Ook te koop in Museon zelf voor 20 eurocent. En eigenlijk niet nodig.
-
Tip: je entreekaart van Museon is tevens de sleutel tot allerlei activiteiten op de bovenverdieping. Dat zeggen ze vrijwel nooit bij de kassa en het heeft ons zes bezoeken gekocht om erachter te komen. Op de eerste verdieping staan overal schermpjes en andere opstellingen waar je de barcode op je toegangskaart kunt scannen.
-
Tip 2: de tuin tussen Museon en Omniversum aan de achterkant is een heerlijke plek om te lunchen.
-
Je kunt thuis je eigen Al-Arabje creëeren met het mooie cd-boek van Frank Groothof, Sheherazade, vertellingen uit 1001 nacht.

Riooljournalistiek
31 januari 2012

Het is niet het eerste uitje waar je aan denkt, lekker wandelen langs een plas rioolwater. Toch wilde ik altijd al eens de waterzuivering zien. En dan gaan de kinderen mee. Collega E. had de organisatie op zich genomen, in de verwachting dat zich 25 thuisonderwijzers zouden inschrijven op deze excursie. Het bleken er 81 te worden, zodat we bij aankomst in twee groepen verdeeld werden - een beetje het formaat van een vooroorlogse schoolklas.
Onze reisleider heette Flip. En Flip begon met een korte lezing over de geschiedenis van poep. Wist u dat de zogenaamde ‘wisselton’ tot vijftig jaar geleden nog in zwang was in sommige delen van Nederland? 
Vóór de komst van het gesloten riool werden de poepemmers huis aan huis opgehaald door een soort omgekeerde melkboer. De beerwagen werd ook wel ‘lijn 4711′ genoemd, naar de eau de cologne.
Dat is nu gelukkig anders. Maar het afvalwater moet natuurlijk wel schoongemaakt worden. En dat gebeurt onder meer hier, bij de Zaanse rioolwaterzuivering. Flip vroeg aan Philip of hij wist hoeveel werknemers er nodig zijn om het water van honderdduizend mensen te reinigen. Daarop gaf mijn zoon het onsterfelijke antwoord: ‘Driehonderdduizend?’ Het bleken er twee te zijn. Verder verloopt het proces automatisch.
(Op de terugweg vroeg ik Philip hoe hij bij dat exorbitante aantal was gekomen. ‘Nou’, zei hij, ‘ik dacht dat er drie keer zoveel mensen nodig waren. We verbruiken veel water.’ Later bedacht hij dat het wel erg veel was. ‘Dat zou betekenen dat er voor heel Nederland 48 miljoen mensen bezig zijn om het water te zuiveren. Een beetje de grootte van Duitsland.’ Hij moest er zelf om lachen. ‘Hoeveel mensen zouden er dan nodig zijn voor het rioolwater van China?’)
De excursie zette zich buiten voort, te beginnen bij de harkruimte.

Hier komt het grofste vuil binnen; alles wat van straat in putten zakt en door mensen weggespoeld wordt. Takjes en blaadjes, wc-papier, maandverband, kunstgebitten, schildpadjes (schildpadjes? ja, schildpadjes), condooms, dode goudvissen.
Als dat eruit gezeefd is, stroomt het water naar de (wordfeudters opgelet:) voorbezinktank. Daar zakken de zwaarste deeltjes naar de bodem en wordt het drijvende vuil eraf geschraapt.


Het gas dat hierbij vrijkomt, wordt opgevangen en gebruikt als eigen energievoorziening. Flip lardeerde zijn verhaal over de brandbaarheid van het gas met een anecdote uit eigen doos: iets met puberjongens, uiensoep, scheten en een aansteker. Ik gok dat u er zelf een youtubefilmpje bij kunt vinden.
Daarna gaat het water naar de beluchtingsbak waar, u raadt het al, lucht aan het water toegevoegd wordt. Zuurstof om hapgrage bacteriën levend te houden die het water een laatste schoonmaakbeurt geven.

De lucht stroomt door verwarmde buizen, want daar houden bacteriën van. En kleine meisjes met koude handjes ook.

Als het aantal bacteriën maar groot genoeg is, dan heb je geen microscoop nodig om ze te zien. Dan zien ze er zo uit:

Als slib. En zodra dat bezonken is, wordt het gedroogd en verwerkt tot biobrandstof. Wat je dan overhoudt, is 95% schoon water. Omdat er altijd nog een beetje residu van uitgeplaste medicijnen en schoonmaakmiddelen inzit, is het niet goed genoeg om te drinken. Hoewel ze er in sommige landen ongetwijfeld een moord voor zouden doen.

—-
Handig:
- Vier minuten schooltv waar je het hele proces kunt zien.
- Collega E. heeft hier veel links over de afvalwaterzuivering gepost.
Es Ee Ka Es
13 oktober 2011

‘Dat dit boek geen Gouden Griffel heeft gekregen!’ zei Jet ongelovig.
Nu heeft Jet een exquise literaire smaak en zou ze het geweldig doen in een willekeurige kinderjury, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat haar beoordeling vooral was ingegeven door het onderwerp en minder door het boek zelf.
Sinds de annunicatie van de baby leeft het meer in huis: seks. Ze hebben altijd geweten hoe kinderen in een buik groeien en op welke manier ze er doorgaans uitkomen. Maar hoe ze erín komen, dat vereist een Bijzonder Groot Geloof.
Kijk, Sinterklaas is geen probleem. Ik heb altijd gezegd dat dat een ‘gezellig verkleedfeest’ is, maar daar hadden de kinderen geen boodschap aan. De zekerheid dat er een vijfhonderd jaar oude, Nederlandstalige man uit Spanje op een paard over het dak draaft, werd door henzelf en Dieuwertje Blok rotsvast gebouwd en in stand gehouden. En als Philip tegen Cato zegt dat er een velociraptor in de kelder zit, is er ook geen spoor van twijfel. Iedere discrepantie met de werkelijkheid metselen zij eigenhandig dicht.
Maar hoe een baby in een buik komt, dat is andere koek.
Ik herinner me de eerste keer dat Philip ernaar vroeg. We waren op kraamvisite geweest en zaten op de terugweg in de auto. Hij was een jaar of zes. Halverwege de A4 zei hij vanaf de achterbank: ‘Mam, ik wéét dat de moeder een eitje heeft en de vader een zaadje. Dat die samengaan en allemaal cellen worden en nog meer cellen en dan een baby. Maar hoe komt dat zaadje nou bij dat eitje?’
Ik zat middenin mijn uitleg toen ik in de achteruitkijkspiegel keek. Jet was drie jaar en hoorde alles geïnteresseerd aan, Philip staarde uit het raam. Zijn wenkbrauwen trokken steeds verder omhoog. Toen Jet tijdens mijn betoog om opheldering vroeg aangaande een bepaald aspect van de piemel, riep Philip plotseling: ‘Ja, nu heb ik wel genoeg gehoord!’ Vervolgens is hij twee jaar in denial geweest.
Met Jet ging het niet veel beter. Hoewel ze op haar derde dus zeer aandachtig in haar maxi cosi had zitten luisteren en het onderwerp in de jaren erna regelmatig de revue passeerde, bleef het een heikel punt. Iets wat je alleen bespreekt terwijl je elkaar niet aankijkt (tijdens de afwas, in de auto) en wat ze eigenlijk nooit helemaal wilden geloven.
Nu ben ik niet van de geforceerde voorlichting, lekker ongedwongen in de zitkuil met gegeneerde kinderen die het schaamrood op de kaken hebben terwijl vader en moeder onverbloemd hun avonturen opdissen, dus ik liet ze begaan. Als het ter sprake kwam, was ik eerlijk. Zo was het goed. En het komt genoeg ter sprake: journaalitems, soa-reclames, krantenartikelen, pikante aanbevelingen na een foutgespelde google-opdracht.
Sinterklaas kwam, Sinterklaas ging, velociraptors en Transformers marcheerden hand in hand met sprekende paarden en buitenaardse wezens, maar hoe dat zaadje bij dat eitje komt, dat wou er niet in.
Inmiddels heb ik een puberzoon in huis. Met pubervriendjes. Die ineens samen belangstellend de H&M-catalogus doornemen, met specifieke aandacht voor de fijne weefsels in de lingeriesectie. Inmiddels geloven ze me wel. Jet ook. De meeste dingen in het boek wist ze allang, zei ze. Het is ook een prima boek, hoor. Niet bij uitstek griffelmateriaal, maar duidelijk en toch luchtig. Echt iets om in je eentje te lezen als je er niet met een volwassene over wilt praten.

Jet vond het zo mooi dat ze het achter elkaar uitlas. Af en toe vroeg ze iets als: ‘Mam, jij bent toch al verder dan drie maanden? Dan is de baby nu een voetes!’ Een wat? ‘Een voe-tes. Tot drie maanden is het een embryo, daarna een voetes.’

De foetus is nu een flinke foet, zal ik maar zeggen. Nog een paar weken en dan zien we hoe lief de voetjes er in het echt uitzien, en de handjes. Bij iedere baby die we op een plaatje of in het echt zien, stoten de kinderen elkaar vertederd aan. Ze kijken in hun babyalbums om te zien hoe lief zijzelf waren. Ze bespreken wie de baby op welke tijden mag vasthouden en op hun borst in slaap mag laten vallen (‘Ik doe het wel in plaats van mijn wiskunde’).
Die es-ee-ka-es is bijzaak geworden. Maar ze weten er in ieder geval van. En ze leren steeds een beetje meer, totdat het echt inzinkt en van toepassing zal zijn op hun leven.
En anders heb ik deze nog achter de hand als paardenmiddel. Voor in de zitkuil. Dan trek ik mijn polyester catsuit aan, zet de kinderen aan het macrameeën en gaan John en ik om beurten de dialoog van de Klisjeemannetjes opvoeren: ’Wat is jouw moyenne qua kieren?’ Dat zal ze leren.
Oma vertelt, Anno Domini 2082
5 september 2011
Vroeger, mijn kleintje, vroeger waren de seizoenen nog seizoenen. De herfst was het mooist. Dan rook het naar omgespitte aarde en zochten we kastanjes tussen de vurig gekleurde bomen. Dan viel het zonlicht zo mooi laag naar binnen en waren de dagen gezellig. De winters waren altijd koud met pakken sneeuw en ijs waarop we schaatsten. De lente begon ieder jaar met ons moestuintje, de eerste dagen zonder jas naar buiten en blote voeten in sandalen, ook al was het daar nog net te koud voor.
De zomers waren altijd warm. Er zat weleens een natte tussen, maar terugkijkend viel het eigenlijk altijd mee. Dan gingen we aan het eind van de middag rucola plukken in de duinen.

Wilde rucola, die groeide overal. Zomaar op straat, in de berm. En in de duinen dus. Tot eind september, je herkende het gemakkelijk aan de kleine gele bloempjes en de typische blaadjes. En als je het niet zeker wist, plukte je een blaadje af en dan rook je de walnootachtige geur.

Ze verkochten het zelfs in zakjes in de supermarkt, voor mensen die niet wisten dat je het in de duinen kon plukken. Ja, die had je toen nog, supermarkten. Nee, niet via internet, wij kochten onze boodschappen nog in een winkel. Daar ging je dan naartoe en dan stopte je spullen in een ijzeren wagentje. Kun je je niet meer voorstellen, hè?
Nou, en dan plukten we een bak vol. Soms met z’n allen, soms alleen met mijn zusje.

We deden het ’s avonds op zelfgemaakte pizza’s. ‘s Middags hadden we brooddeeg gemaakt en ‘s avonds rolden we dat uit en belegden het met allemaal lekkere dingen. Zoals die rucola dus.
We hadden onze bikini’s al aan onder onze kleren. Want omdat we er toch waren, gingen we meteen even zwemmen.

Ook als het een beetje fris was. Dat was eigenlijk nog lekkerder dan op een snikhete dag. Aan het eind van de middag was het altijd het fijnst op het strand.



Kijk, ik heb er nog foto’s van. We hebben allemaal leren zwemmen in zee. Dat kon toen, zwemmen in de Noordzee. Later haalden we wel een zwemdiploma, hoor. Maar dat gevoel van drijven, je voeten los van de grond en spartelen met je armen en benen, dat leerden we voor het eerst in zee.
De stranden waren zo groot en mooi aan het eind van de dag. Soms aten we er ook. Of we gingen na het eten, als er een warme gloed hing en de golven heel hoog waren. Ik had een roze bikini, weet ik nog. Daar was ik heel trots op.

Mijn ouders maakten af en toe foto’s. Die zette mijn moeder dan op een blog. Daar was ze ooit mee begonnen om mensen te vertellen over thuisonderwijs.
Dat mocht toen nog niet, hè, zelf je kinderen les geven. Nee, ben je mal. Echt niet. Mijn ouders zijn ook eerst naar een rechtbank geweest, twee zelfs. Ja, uiteindelijk mocht het wel, maar ze moesten praten als Brugman. Er waren zelfs mensen bij wie de kinderen uit huis gehaald werden. Kun je je nu niet meer voorstellen, hè? Zo ging dat toen.
Omdat veel mensen dachten dat thuisonderwijs mysterieus en slecht was, hield mijn moeder dus dat blog bij. Kon iedereen zien hoe het zo’n beetje in zijn werk ging. Dat deed ze op een enorme computer. Laattwintigste-eeuws model. Zo’n kast ja, die je in het museum voor communicatie gezien hebt. Die stond dan op de grond te zoemen, met een los beeldscherm op haar bureau. Ze heeft het nog heel lang volgehouden op dat lel. Pas later kreeg ze een normale computer, ja, zoals jij nu in je hand hebt.
Maar kom, kleintje, je hebt al veel te lang binnen gezeten. We gaan lekker naar buiten. Ik heb pizzadeeg gemaakt, dat staat nog te rijzen. Kunnen we even naar de bibliotheek wandelen. Wist je dat er een tijd was dat ze alle bibliotheken wilden sluiten? Dat is er gelukkig nooit van gekomen. Kom, dan gaan we. Ik weet nog een plekje op de weg er naartoe waar wilde rucola groeit.

Tegenvallers in de tuin
12 augustus 2011
Terwijl ik aan mijn snijbonenstellage hing die door de storm omver was geblazen, bedacht ik dat het goed was om ook de mindere resultaten van onze tuin met u te delen.
Over het algemeen werken mijn triomfen natuurlijk louter aanstekelijk, maar soms, als de tuinbonen weggevreten zijn door zwarte luis of de tomatenplant niet wil bloeien, heeft een mens behoefte aan wat gedeelde smart.
Welnu, de snijbonen heb ik weer opgebonden, maar met mijn venkel wil het niet lukken. Veel spriet en pluis, weinig knol. We hebben ze nog niet gegeten (wat moet je met anderhalve knol en vijf personen, dan zit je elkaar maar aan te kijken), maar het is om zo te zeggen geen A-kwaliteit.

Ook de radijs was geen succes. Vanwege de droogte in de voorzomer waren ze piepklein of gewoon rot. Soms leken ze van buiten mooi, maar bleken binnenin bruin en uitgeknaagd door een wormpje of iets anders wat tunneltjes graaft.
Komkommer hebben we dit jaar voor het eerst geplant. Vorig jaar mochten we er een paar plukken van een tuinbuurvrouw op vakantie. Die waren zo lekker, mooi en anders dan in de winkel, dat ik ze dit jaar zelf ook wilde. In tegenstelling tot de beeldschone exemplaren van de buurvrouw kan ik mijn oogst echter naar Christine le Duc brengen.

De ranken en bloemen zagen er nog veelbelovend uit, maar iedere komkommer die zich ook maar een beetje ontwikkelt, heeft een afwijking of twee, drie.

En ook de paksoi groeit niet naar behoren. Van de pakweg twaalf exemplaren die we gezaaid hadden, hebben we er vier kunnen eten. Die waren samen genoeg voor één persoon; klein geoogst omdat ze op 15 cm hoogte al in de bloem schoten, en dan wordt de groente bitter. Ik had mijn hoop nog op deze gevestigd, maar daags na de foto prijkte ook daar een gele bloem in het hart van de plant.

Nog iets over zwarte luis. Ik heb gemerkt dat luis niet erg is voor snijbonen (die groeien ongeschonden door), maar wel voor tuinbonen. Bloesem en beginnende bonen worden gewoon weggevreten. Ik heb ondervonden -vooral toen ik het een jaar niet deed- dat het echt helpt om vroeg (half maart) te planten én er goudsbloemen naast te zaaien. De goudsbloemen komen wel onder de luis, maar de tuinbonen worden grotendeels met rust gelaten. Dille helpt ook, dat zaai ik vooral tussen de rode bietjes en snijbiet.
Voor de handigheid heb ik een pdf gemaakt met gewassen die beter wel of niet naast elkaar geplant kunnen worden.
Hij opent door op het plaatje te klikken en staat ook op deze fonkelnieuwe pagina, met alle tuintips op een rijtje.
Cadeautje: De Late Oogst
24 juni 2011
Daar zit je dan, eind juni. Zonder eigen kropsla, zonder biologisch bloemkooltje, zonder het vooruitzicht op ranken vol augurken. Ja, zelfs zonder je dagelijkse courgette.
Weg met die sippe gezichtjes!
Geen nood, er is nog een zee van tijd om allerlei heerlijks op eigen bodem te laten groeien. De droogte is voorbij, de grond is lekker opgewarmd en de zomer is maar net begonnen.
Het hele lijstje hieronder kan nog gezaaid worden: sla, paksoi, bietjes, venkel, worteltjes. Sperziebonen om in oktober zó van de eigen stammetjes te plukken.
Dus als je eerste pogingen dit jaar jammerlijk mislukt zijn, als je geen tijd gehad hebt om dat kleine hoekje tuin te schoffelen, om je gemeente te bellen voor een schooltuintje of om een stuk of wat grote potten voor je balkon te kopen (bij Action – alle soorten en maten), dan heb je nu nog een paar weken de tijd om een kleine groentetuin te beginnen. Today is the first day of the rest of your life!
Om dat te vieren geef ik een verrassingspakketje weg: een aardigheidje van tien verschillende groentezaden die in juli nog geplant kunnen worden.
Deze zit er in ieder geval bij: snijbiet.

Het is me een raadsel waarom dat nergens in de winkel te koop is. De smaak is voortreffelijk: lekker zacht en toch een stevig blaadje, zonder draden of taaiheid.

Je kunt het wokken of rauw eten

en de plantjes blijven maar geven: je kunt er oeverloos van blijven plukken. Niet voor niets heet het in het Engels perpetual spinach.
Wil je kans maken op de midzomerverrassingszaden, dan kun je hieronder een reactie achterlaten of een mail sturen via het contactformulier. Je hebt tot en met zondag 26 juni om te reageren. Daarna trekken we net als de vorige keer een naam uit de hoge hoed en weten we maandagochtend aan wie ik de envelop kan sturen.










