Deze toespraak deed wat stof opwaaien in Amerika. Het is de afscheidsrede van Bob Chanin, voorzitter van de lerarenvakbond.

Voor wie beter Engels leest dan luistert de uitgeschreven versie:  

‘Despite what some among us would like to believe it is not because of our creative ideas. It is not because of the merit of our positions. It is not because we care about children and it is not because we have a vision of a great public school for every child. NEA and its affiliates are effective advocates because we have power.’

‘And we have power because there are more than 3.2 million people who are willing to pay us hundreds of millions of dollars in dues each year, because they believe that we are the unions that can most effectively represent them, the unions that can protect their rights and advance their interests as education employees.’

‘This is not to say that the concern of NEA and its affiliates with closing achievement gaps, reducing dropout rates, improving teacher quality and the like are unimportant or inappropriate. To the contrary. These are the goals that guide the work we do. But they need not and must not be achieved at the expense of due process, employee rights and collective bargaining. That simply is too high a price to pay.’

Met andere woorden, zoals iemand als lezerscommentaar gaf: eerst de vakbond, dan de leraren en de kinderen krijgen de restjes.

Maar gelukkig is dat Amerika, hè? Amerika is ver weg.

Verder wil ik natuurlijk helemaal niemand beïnvloeden, maar ik wou even melden dat D66 als enige partij het thuisonderwijs volkomen wil verbieden. Wat zeg ik: wat haar betreft dient de hele vrijheid van onderwijs te verdwijnen.

Het was de eerste partij waarop ik stemde toen ik de gerechtigde leeftijd had, nadat ik alle partijprogramma’s had opgevraagd. Dat goede onderwijs waar zij ondanks alle big and fluffy words niets van waarmaakte. Nu ik het zelf ter hand genomen heb, wil D66 iedere scholingsvrijheid, thuisonderwijs of bijzonder, ontnemen. A bloody shame.  

—–

Ik heb goed nieuws en slecht nieuws. Zal ik beginnen met het slechte?

Oog stopt ermee. Dat prachtige tijdschrift van het Rijksmuseum, het enige waarop ik geabonneerd was, moet sluiten. Wim Pijbes, hoofddirecteur van het Rijksmuseum (en schrijver van o.a. Het kleine schilderboek, uit die goeie reeks Waanders’ kinderkunstboeken) schrijft het zelf in het laatste nummer van Oog: het museum moet 1 miljoen bezuinigen en vindt het daarom begrijpelijkerwijs niet meer verantwoord het tijdschrift voort te zetten.

Je kunt het allerlaatste nummer met het thema ‘Beest!’ hier inzien. Het is weer een mooitje, hoor. Stukken over dierensoldaten, het verrotte leven van stier Herman, een interview met Remco Campert en Arjan Ederveen als gastconservator die de mooiste Rijksmuseumhonden uit de collectie selecteerde. De laatste Oog is nog even te koop in de winkel. Op is op.

Het goede nieuws: drie nieuwe boeken voor kunst met (en zonder) kinderen.

Marc Verhaegen en Jan Kragt maakten een stripboek over het leven van (daar is ie weer) Vincent van Gogh. Volgende week wordt het gepresenteerd, hier alvast een heuse trailer.

Er hoort zelfs een lespakket bij, dat vanaf 3 maart hier beschikbaar is. Daar staan overigens nog meer lespakketten over de stripboeken die Verhaegen en Kragt eerder maakten over onder meer Michiel de Ruyter en het ontstaan van New York. Op het blog van Marc Verhaegen staan hier meer voorpublicaties over Vincent van Gogh, de worsteling van een kunstenaar.

Ook Arend van Dam en Alex de Wolf hebben een nieuw deel aan hun boekenreeks toegevoegd. Van Dam kondigde het in 2009 al aan,

maar komende april gaat het er echt van komen.

Vijftig verhalen over Nederlandse kunstenaars, in de traditie van Lang geleden…, In een land hier ver vandaan…, en Overal en ergens…. Ik zou het leuk vinden als zij hun volgende boek aan internationale kunstenaars zouden wijden: Mozart, Schubert, Botero, Hokusai, Damian Hirst, Annie Leibovitz. En als ik toch met een sinterklaaslijstje bezig ben, laat het vijfde deel dan maar aan internationale literatuur gewijd zijn: Samuel Taylor Coleridge, Milton, Poesjkin, Grimm, Goethe. Nou, en deel zes mag dan bestaan uit wetenschappers: Newton, Pasteur, Curie… Kom maar binnen met uw knecht. 

Deze laatste is al even uit, maar was helemaal aan me voorbijgegaan, Julia’s verdwijning, het vervolg op Julia’s reis van Finn Zetterholm.

Ik heb hem net in huis, nog niet gelezen dus. Aan de ene kant houd ik wel van vervolgen, aan de andere kant loop je natuurlijk altijd het risico dat het uitmelkerij wordt van een leuk thema. We gaan het zien; ik ben vooral benieuwd naar Julia’s ontmoeting met Frida Kahlo. Bij bol kun je alvast tien pagina’s lezen.

Sneeuwboeken

23 februari 2011

Nou hoor ik u denken. Sneeuw.

U kijkt eens naar buiten, herinnert zich dat het gisteravond om 18.05 uur nog licht was en vraagt zich af: heb ik iets gemist? Of is het een van die spitsvondige titels van haar? Iets met een dubbele bodem, misschien de Noordse mythologie?

Niets van dat al. Het punt is, ik loop een beetje achter. Deze stond al voor te garen vanaf begin december, toen er nog twintig centimeter sneeuw lag en ik een énige ingeving kreeg om mijn favoriete sneeuwboeken met de wereld te delen. Het is exemplarisch voor de rest van mijn leven; ik loop momenteel met veel dingen achter. Met mijn e-mail, met de was, met uren slaap.

Gelukkig wordt het vanzelf weer winter. Kom dan gerust nog eens terug. U moet maar zo denken: als de klimaatverandering doorzet en er in oktober al sneeuw valt, dan zit u geramd met zo’n anticiperende, up-to-date informatiebron als deze.

Niks fijners dan binnenkomen met rode wangen, de sneeuw nog aan je wanten, warme chocomel en een trommel speculaas en met je rug tegen de verwarming een stapel boekjes lezen.

Zoals Mijnheer Eekhoorn en de eerste sneeuw van Sebastian Meschenmoser.

Op afstand het leukste sneeuwboek dat ik de afgelopen maanden las. De tekeningen zijn zo goed, die wil ik wel ingelijst hebben.

De tekst is kort, mooi gedoseerd en vult de illustraties aan. Eigenlijk moet hij zijn winterslaap houden, maar mijnheer Eekhoorn wil dit jaar eens wachten tot hij sneeuw heeft gezien. Van bok weet hij dat sneeuwvlokken nat, wit, koud en zacht zijn, maar ja, dat zijn wel meer dingen. De dieren wachten gespannen wat erop hun hoofden zal vallen.

Dan natuurlijk Wat een kou, Vos en Haas van Sylvia Vanden Heede en Thé Tjong-Khing, twee van onze geliefde duo’s.

Er valt niet zoveel over te zeggen: Vos, Haas, een pop van sneeuw en hete thee van Uil; weer een schot in de roos.

En zoals er voor iedere gelegenheid een Vos en Haas is, zo is er ook voor iedere gelegenheid een Kikker. Kikker in de kou van Max Velthuijs.

Die sneeuw, Kikker heeft het er niet zo op. Hij heeft natuurlijk ook geen laagje spek, zoals Varkentje. Of een warme vacht als Haas. Maar juist als het helemaal mis lijkt te gaan, is daar de warmte van zijn vrienden, van een lekker soepje en een gezellig haardvuur.

Deze is bijzonder: Sneeuw! van Komako Sakai.

Stille, rustige schilderijtjes die perfect weergeven hoe de wereld er uitziet als de sneeuw valt. Het verhaal is uiterst eenvoudig, de platen en kleuren zeggen alles.

Een oude hit bij alledrie mijn kinderen vanaf hun eerste jaar: Grote Beer en Kleine Beer. De sneeuwversie heet Ga je mee, Kleine Beer? van Martin Waddell en Barbara Firth. Als los prentenboek of in bundel De verhalen van Kleine Beer.

Ze gaan zo ontzettend lief met elkaar om. Grote Beer wordt nooit boos als Kleine Beer bang is of fouten maakt en Kleine Beer wil altijd helpen met klussen die gedaan moeten worden. Wanneer ze samen een wandeling door het besneeuwde bos maken, vraagt Kleine Beer bezorgd wat al die geluiden toch zijn. Grote Beer stelt hem zoals altijd gerust.

En deze dan. Meisje alleen van Christopher Wormell.

Eindeloos winterprentenboek. Ook al komt er in het begin een beetje lente, zomer en herfst voorbij, zeker pakken als het sneeuwt. De tekeningen zijn heel mooi en geven de emoties en het verhaal goed weer. Het doet me in de verte altijd een beetje denken aan Ronja de roversdochter. Zo’n nuchter bosmeisje dat één is met de elementen. Maar dan zonder vader, moeder of rovers. Dit meisje leeft met dieren. 

De volgende titels zijn voor een beetje groter. Die lees je niet per stapel, maar per boek. Wel weer met je rug tegen de verwarming.

Boris van Jaap ter Haar.

Prachtig en ontroerend. Telt mee voor geschiedenis (Tweede Wereldoorlog), aardrijkskunde (Rusland) en gewoon voor de mooite. Het luisterboek wordt heerlijk voorgelezen door Bram van der Vlugt – ook al zo’n winterstem bij uitstek.

De lange winter van Laura Ingalls Wilder en Garth Williams (ill.).

Voor wie bij Het kleine huis nog steeds denkt aan de niet aflatende EO-serie (zoals ik tot vijf jaar geleden), laat het gáán. Zet het van je af. Het verhaal lijkt in niets op de tv-serie en het is prachtig geschiedenismateriaal over 19e-eeuws Amerika. 

Wat sneeuw betreft: eigenlijk zijn alle boeken van het Kleine Huis goed. Overal komt wel een winter in voor. Maar dit deel 6 is wel héél fijn als het sneeuwt. Het is afzien, snijdende kou, een dorpsgemeenschap die elkaar helpt en er samen doorheen komt. Zalig.

Deze is voor nog iets groter, een jaar of twaalf, schat ik. Lucas in de sneeuw van Koos Meinderts en Annette Fienieg (ill.).

Sneeuw is hier het decor van de emoties van een tienjarig jongetje. Het is een dromerig, verdrietig jongetje. Hij heeft zijn vader verloren. Eigenlijk wil hij terug naar de zomer, toen zijn vader nog leefde. Maar de sneeuw lijkt alles weer nieuw te maken. Terwijl hij wandelt, denkt hij na over wat er is gebeurd. Tegelijk ontroerend en bemoedigend. 

Ten slotte De kinderen van de Grote Fjeld van Laura Fittinghoff.

Je krijgt het al koud als je naar het omslag kijkt, maar het verhaal is hartverwarmend. Zeven broers en zussen van één tot dertien jaar zwerven met een geit door Zweden. Hun ouders zijn gestorven in het hongerjaar 1860 en om te voorkomen dat ze naar het armenhuis moeten, trekken ze erop uit en zorgen voor elkaar. Geschreven in 1907, voor het eerst in het Nederlands verschenen in 1931. Ik hou van boeken die al zo lang bestaan dat mijn oma ze als kind gelezen zou kunnen hebben. Als ze na al die jaren nog herdrukt worden, wil dat wel wat zeggen.

Terwijl ik dit lijstje halfafgemaakt op de achtergrond had bewaard, bleek Pjotr op zijn blog een enquête te houden naar het ultieme kerstvakantieboek. Wat een hysterisch toeval, niet? Hij had een paar andere criteria: het mocht Kerstig zijn (dat wilde ik niet) en er hoefde geen sneeuw in voor te komen (wilde ik juist wel), maar het is een echte winterboekenlijst: hier staan ze bij de lezerscommentaren.

Stemmen op schrift

21 februari 2011

Cato heeft een nieuwe manier van communiceren: het geschreven woord. Sinds ze het alfabet geleerd heeft, is ze voortdurend bezig met het oncijferen van drukletters of het in haar hoofd spellen van woorden. Op onverwachte momenten declameert ze vanaf de achterbank: ‘Jas is eigenlijk heel makkelijk. J-a-s.’

Zo verschillend als Philip en Jet leerden lezen, zo anders is het weer met Cato. Om te beginnen is ze vroeger. Daar kan ik natuurlijk laconiek over doen (‘Lezen? Och, dat kunnen mijn kinderen op hun derde.’), maar eigenlijk sta ik paf. De eerste keer dat ze me tijdens het voorlezen onderbrak met: ‘Daar staat bos’, dacht ik dat het een toevalstreffer was. Maar ze kon het echt.

Omdat Cato zich graag in iets onderdompelt, is ze ook meteen gaan schrijven. Soms in spiegelbeeld, soms achterstevoren, maar altijd gedreven. Overal vind ik briefjes: met twintig centimeter plakband op de buitendeur of op mijn beeldscherm, of geschoven onder de deur (die ze daarvoor zorgvuldig dichtgedaan heeft) :

live mama, ik w
il een kus

cato mama papa lief filip jete

Als ik iets niet begrijp, trekt ze zich dat niet persoonlijk aan: dat is gewoon mijn fout. ‘Kijk dan even wat er staat’, zucht ze. Meestal kom ik er met een gul toebedeelde hint dan wel uit. En nu zijn we elkaars penvriendin.

Thuisonderwijs

14 februari 2011

Eigenlijk hè, eigenlijk wil ik gewoon laten zien wat we doen. Hoe thuisonderwijs kan zijn. Eigenlijk wil ik helemaal niet praten over onderzoek zus en bewijs zo.

Maar dan lees ik dagbladen, luister radiointerviews en zie politici ins Blaue hinein twitteren: ‘Thuisonderwijs slecht plan: slechte kwaliteit’ of  ‘Thuisonderwijs afschaffen, kinderen eerst’. En dan weet ik weer dat het niet genoeg is om alleen maar een huis-tuin-en-keukenonderwijsblog bij te houden.

Ik snap ze wel hoor, de vooroordelen. Ik heb ze zelf toch ook gehad? Ik ben toch ook gewoon naar school geweest? Ik heb toch ook gedacht: ‘Wat raar!’ toen ik voor het eerst over thuisonderwijs hoorde? Zou ik door al die moeite, kosten en kritiek gaan als ik dacht: ‘We gaan er eens lekker op los experimenteren’? Nee toch?

Nee, inderdaad. Toen ik dacht: ‘Wat raar!’, ben ik erover gaan nadenken. Toen ik dacht: ‘Die kinderen worden toch nooit sociaal?’ heb ik boeken gelezen en onderzoeken. Daaruit bleek dat die kinderen uitstekend socialiseren, zich uitstekend ontwikkelen en uitstekend presteren op cognitieve tests.

Weet je, je hoeft het niet met me eens te zijn. Ik wil alleen dat mensen eerlijk voorgelicht worden.

Er is geen enkel onderzoek waaruit blijkt dat de kwaliteit van thuisonderwijs slecht is. Er zijn wel onderzoeken waaruit blijkt dat de kwaliteit van thuisonderwijs zeer goed is. Ik heb voor de gelegenheid een pagina gemaakt met alle Veelgestelde Vragen op een rij en links naar die onderzoeken.

Een paar weken geleden was er een bijeenkomst in een speeltuin in Utrecht. Daar waren 90 kinderen en 45 volwassenen, alle leeftijden door elkaar. Grote kinderen hielpen kleintjes op de glijbaan, durfals gingen met angshazen in de botsauto’s. Er waren joden, moslims, humanisten, boeddhisten, christenen, holisten en hindoes. Er waren ‘zorgleerlingen’, hoogbegaafde en gemiddelde leerlingen. Er waren kinderen van Nederlandse ouders en van buitenlandse afkomst. Uit kleine dorpen en grote steden. Creatieve kinderen, boekenwurmen, spring-in-’t-velds en sterrenkenners. Er waren kinderen die aan alles wilden meedoen en kinderen die zich even wilden terugtrekken bij hun vader op schoot. Er waren Catootjes, Philips en Jettes. En niemand maakte daar een punt van.

Soms hè, soms ben ik zo klaar met al die vooroordelen. Want eigenlijk wil ik gewoon thuisonderwijs geven.

In 1883 besloot Vincent van Gogh (1853-1890) in Nuenen te gaan wonen. Hij had daarvoor een paar maanden in Drenthe gewoond om er het boerenland en de heide te schilderen, maar toen de winter inzette en de eenzaamheid wel erg begon te drukken, vertrok hij naar het Brabantse Nuenen, waar zijn vader sinds 1882 dominee was.

Eerst logeerde hij bij zijn ouders, maar al spoedig vond Van Gogh een eigen atelier in het dorp. Zijn aanwezigheid bleef niet bepaald onopgemerkt: hij werd er ‘het gekke menneke van Nuenen’ genoemd. In deze periode ontstonden zijn schilderijen en studies rondom De aardappeleters.

Van Gogh koos bij voorkeur de ‘lelijkste exemplaren’ onder de boeren tot model, die hij vervolgens vaak niet met geld betaalde, maar met pakken koffie. Hij hield er zelf ook een eenvoudige levensstijl op na en voelde zich thuis tussen de mijnwerkers, wevers en boeren.

Gedurende zijn jaren in Nuenen kreeg Van Gogh tweemaal bezoek van schildercollega Anthon van Rappard. Zij hadden elkaar in 1880 in Brussel leren kennen en waren tot op zekere hoogte verwante zielen.

Tijdens een van die bezoeken bezochten de twee  kunstenaars op een dag de apotheek om ‘copahu’ te kopen, een oliehoudende boomhars (copaïvabalsem). Ze hadden het nodig om een bepaald glanseffect op hun schilderijen te krijgen, maar dat vertelden ze er niet bij. Het spul werd officieel verkocht als middel tegen syfilis (de ‘venusziekte’) en andere geslachtsziekten. De schilders vroegen de apotheker wel of copahu ook met terpentine kon worden verdund. Waarop de man geschokt schreeuwde: ‘Moet ge uw donder dan nog meer kapotmaken!’

Uit: Antoon Erftemeijer, De aap van Rembrandt, kunstenaarsanekdotes van de klassieke oudheid tot heden. Gedeeltelijk geparafraseerd. Slechts een klein deel van de overleveringen over Vincent van Gogh die in het boek opgenomen zijn. Het lemma Van Gogh bevat bijna acht pagina’s.

De schilder Frans Hals (ca. 1583-1666) was een notoire drinker. Althans, zo staat het in de biografie die in de achttiende eeuw over hem verscheen: ‘Frans was gemeenlyk allen avond tot de keel toe vol met drank’.

Als het weer eens zover was, hielpen zijn leerlingen hem naar huis, trokken zijn schoenen uit en zorgden dat hij veilig in zijn bed terechtkwam. De schilder placht iedere avond nog een gebed te zeggen, dat hij steevast besloot met de woorden: ‘Lieve Heer, haal my vroeg in uwen hoogen hemel.’

Hals’ leerlingen vroegen zich af of hij deze bede werkelijk meende en besloten de proef op de som te nemen. Zij boorden vier gaten in het plafond boven de bedstee van de schilder. Door die gaten lieten zij vier sterke touwen zakken, die zij aan de hoeken van het bed vastknoopten.

Toen de beschonken Hals de volgende avond weer in bed was gelegd en het licht de slaapkamer was uitgedragen, slopen de leerlingen op kousenvoeten de trap op naar boven. Ze luisterden stil naar het avondgebed, dat Hals gewoonte-getrouw eindigde: ’Lieve Heer, haal my vroeg in uwen hoogen hemel.’ Op dat moment trokken zij hem met bed en al naar boven. Ondanks zijn roes merkte de schilder wat er gebeurde en riep luid op deze gebedsverhoring: ‘Zoo haastig niet, lieve Heer, zoo haastig niet, zoo haastig niet’ – waarop de leerlingen hem weer zachtjes lieten zakken. Toen hij vast in slaap gevallen was, haalden zij de touwen weer van het bed weg.

Pas jaren later ontdekte Frans Hals wat er gebeurd was, ‘maar Frans gebruikte na dien tyd die wyze van bidden niet meer.’

Uit:  Antoon Erftemeijer, De aap van Rembrandt, kunstenaarsanekdotes van de klassieke oudheid tot heden. Gedeeltelijk ingekort en geparafraseerd.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.