Dierenmummies
24 februari 2009

We zijn op bezoek geweest in het Rijksmuseum van Oudheden. Niet dat we met een bepaald thema bezig zijn (geschiedeniswijs lezen we momenteel Kinderen van Nederland, dat gaat als een razende door de eeuwen heen; leuk overzicht, hoewel er wel wat op aan te merken valt en ik Kinderen van Amsterdam beter vind), maar ik wilde er zelf weer eens heen; op de Mom’s Night hoorde ik van een Australische moeder dat de tentoonstelling ‘Dierenmummies’ de moeite waard was.
Overigens kwam het onderwerp mummificeren de laatste tijd wel veel voor in het spel van de kinderen. Jet wil regelmatig gemummeerd worden, zoals ze het consequent noemt. Het is het soort spel waarbij je de heibel mijlenver ziet aankomen, maar wat ze juist daarom zo graag spelen: op de grens tussen heerlijk uitgelaten en net niet leuk meer. Ik onderschepte Philip toen hij een koksmes uit het messenblok kwam halen voor een levensechte simulatie van het verwijderen van de organen. Hij was verontwaardigd dat ik het mes niet wilde meegeven. ‘Ik ga niet écht snijden’, zei hij. Dat moest er nog bijkomen. Het was dezelfde dag waarop Jet bij wijze van mummeerverband in het lits-jumeauxdekbed gerold wilde worden en pas na haar gesmoorde kreten uit de dekbedworst wilde aannemen dat dit geen handig spel was.

De tijdelijke dierenmummietentoonstelling was inderdaad de moeite waard. Op een of andere manier valt het Rijksmuseum van Oudheden me doorgaans een beetje tegen, ik verwacht er altijd meer van. De entree is indrukwekkend, met haar mooie tempelzaal, maar verder vind ik het toch wel erg veel oude munten, vuistbijlen en gebroken aardewerk. Natuurlijk zitten er ook mooie dingen bij, de mummiekisten, de Romeinse beelden en de sarcofaag van Simpelveld die Philip toevallig ontdekte omdat hij hem herkende van een schooltvprogramma.
Zelf vond ik de papyrusbrieven weer indrukwekkend, omdat zij de tijdloosheid van menselijke relaties zo mooi laten zien. Een man schrijft een paar duizend jaar geleden aan iemand dat deze zich niet met zijn zaken moet bemoeien; in een andere brief heeft iemand zijn huis verkocht en verklaart dat hij dat uit vrije wil gedaan heeft en dat hij gezond van lichaam en geest was toen hij dit schreef. Dankzij de chronologische opstelling zie je ook de culturele ontwikkeling van het land: in de oudste brieven wordt een eed gedaan op de farao, zijn de mensen genoemd naar Egyptische goden en is de datering ’de achtste dag van de tweede overstromingsmaand’. In latere brieven groet men elkaar ‘in de Heer’, hebben de mensen bijbelse namen en wordt de christelijke jaartelling aangehouden.
Nog een suggestie voor iedereen die hiërogliefen wil ontcijferen: het Rijksmuseum van Oudheden heeft deze pagina gemaakt. Zelf ben ik wel blij met het boekje Spelen met hiërogliefen van Catharine Roehrig, inclusief vierentwintig hiërogliefenstempels. Regelmatig te vinden via veilingkijker.nl - niet meegaan in de soms absurde biedingen, ik heb het zelf ooit voor acht euro gekocht. En anders kun je de Engelstalige uitgave bij bol.com nemen, de stempels zijn toch universeel.
De dierenmummies waren bijzonder. Fascinerend dat er zoveel werk van gemaakt werd om een baviaan, krokodil of lammetje te conserveren. Vooraf hadden we een oude aflevering van Beeldenstorm bekeken. In dit filmpje – hij opent direct in media player - legt meesterverteller Henk van Os uit waaróm de Egyptenaren ook mummies van dieren maakten. Voor gevoelige kijkertjes de eerste 50 seconden even doorspoelen, want het begint met een akelig spannend stukje uit het Kuifje-avontuur De sigaren van de farao.
Op de tentoonstelling kon je zelf een kat mummificeren, virtueel dan.

Door de volgorde van de handelingen aan te wijzen, zag je het mummificatieproces zich stap voor stap voltrekken.

De tentoonstelling ‘Dierenmummies’ is nog tot 1 maart te zien.
Nog een mooie website waar ik dat filmpje van Beeldenstorm vond: Museumtv. Je kunt zoeken op musea, alfabetisch of per provincie, en op onderwerp: mythologie, dieren, Picasso – vul zelf maar in. Vervolgens kun je filmpjes bekijken die in of over dat specifieke museum zijn uitgezonden.
Mene tekel
19 februari 2009

Niet alle boeken die ik lees komen op mijn boekenlijstje. De definitie van een living book laat, zoals ik al eerder schreef, ruimte voor eigen invulling. Omdat ik met de kinderen niet uitsluitend klassiekers van voor 1920 lees, is er geen lijst met voorgeschreven Charlotte Mason-meesterwerken beschikbaar die ik klakkeloos kan (of wil) navolgen. Ik zal dus zelf moeten beslissen welke boeken onder het begrip klassieker vallen. Op het lijstje kun je zien welke boeken wat mij betreft de moeite waard zijn, maar ik wil ook uitleggen waarom sommige boeken het lijstje niet halen.
Het kan zijn dat een boek slecht vertaald is. Er is een aantal Engelse boekenlijsten dat veel door thuisonderwijzers geraadpleegd wordt, zoals Ambleside Online en 1000 Good Books. Bovenaan deze lijsten staat steevast The Swiss family Robinson (oorspr. Schweizerischer Robinson) van Johann Wyss. De laatste Nederlandse vertaling van dit boek verscheen in de jaren zeventig van Hein Kray als De Zwitserse Robinson en is zo oubollig geschreven dat ik hem niet zonder lachen kan voorlezen. Dat heeft alles te maken met de vertaling, niet met de leeftijd van het boek, want er zijn talloze oude boeken die we met plezier verslinden - Paulus is geschreven in de jaren vijftig en zestig en de De scheepsjongens van Bontekoe stamt uit 1923.
Er zijn ook boeken met een prachtig onderwerp, waarvan de uitwerking op niets uitgedraaid is. Neem Retour NL van Jenny van der Toorn-Schutte.
De ondertitel belooft heel wat: De canon van de Nederlandse geschiedenis in vijftig verhalen. Helemaal in mijn straatje. Maar dan begin je te lezen, en blijkt het niet meer dan een opsomming van feiten bij foto’s, een soort mini-encyclopedie zonder enig verhaal. Volgens het omslag zijn de verhalen zo beeldend dat je ‘de verf in Rembrandts atelier kunt ruiken’, maar die aanbeveling slaat werkelijk nergens op. Zelden zo de plank zien misslaan.
Soms zijn boeken ronduit slecht geschreven. Dat is het geval bij de twee delen van Piet Heyn en de Zilvervloot van Ynskje Penning. Weer een leuk onderwerp, notabene een van de weinige fictieboeken over deze zeeheld, en de schrijfster heeft echt haar best gedaan door veel onderzoek te doen en een getrouw tijdsbeeld te geven. Maar het verhaal overtuigt niet. De zinnen lopen niet lekker en de dialogen komen gekunsteld over.
Dan zijn er de boeken die wat mij betreft niet helemaal gelukt zijn. Een boek als Tjibbe Tjabbes’ wereldreis van Harm de Jonge is er zo een. Het idee vind ik echt leuk: het reisverslag van een 18e-eeuwse geleerde met beschrijvingen van ‘onontdekte’ (niet-bestaande) diersoorten. Een journaal annex bestiarium zeg maar, Der naturen bloeme meets De reis van Sint Brandaan. Mooi onderwerp, mooie illustraties, maar alle juichende recensies ten spijt vind ik het geen goed boek. De dierenbeschrijvingen zijn aardig, maar niet meer dan dat. De persiflage op het Noachverhaal irriteert me, net als de verkapt aanmatigende toon waarmee de gesprekken tussen de gebroeders Panhuijs-Breskens weergegeven worden. Bovendien komt het verhaal niet op dreef; het is geloofwaardig noch geestig.
Tegenover Tjibbe Tjabbes staat een boek als Dinotopia van James Gurney, dat ik wel op het lijstje zette. Ook een fictief reisverslag, ook beschrijvingen van een soort fabeldieren, ook een variant op een bestaand boek, in dit geval Robinson Crusoe meets Een dinosauriër als huisdier, maar dit boek is wat mij betreft wel gelukt. De illustraties zijn verrukkelijk, om zo bij weg te dromen, en realistisch genoeg voor de kritische dinosauruskenner die exact weet hoeveel hoorns, nagels of rugplaten ieder prehistorisch dier heeft.
Verder zijn veelschrijvers als Carry Slee nauwelijks aanwezig op mijn lijstje. Dat is niet omdat ik a priori iets tegen veelschrijvers heb, maar omdat hun oevre drijft op elementen die me tegenstaan. Het grootste probleem vind ik dat de personages altijd zo vreselijk onaardig tegen elkaar doen, zonder dat dat bijdraagt aan het verhaal (Edward Tulane is ook onaardig, maar dat heeft een functie). Broertjes en zusjes zijn altijd verongelijkt, als ze al met elkaar spelen probeert de een de ander een loer te draaien, iedereen wordt te pas en te onpas met stomkop aangesproken en de romanfiguren vinden veel gebeurtenissen shit of saai. De verhaallijnen zijn flinterdun en in de onderwerpen zit er voor mijn kinderen weinig bij om te herkennen of bij weg te dromen.
Die chronische onvriendelijkheid is typerend voor onze tijdgeest. Je vindt het ook terug bij Van tijd tot tijd van Ben Verschuren, de moderne versie van boeken als Honderd eeuwen en Hoe het vroeger was, bundels geschiedenisverhalen die ik wel op het lijstje heb gezet. Die oudere vertelboeken blijf ik gewoon beter vinden. Het zogenaamd ‘realistische’ of menselijke aspect in Van tijd tot tijd vind ik namelijk helemaal niet zo realistisch of herkenbaar. Ik vind het voornamelijk onhebbelijk. Hier kun je een paar voorbeeldpagina’s van het eerste hoofdstuk bekijken om je eigen mening te vormen. Ik weet dat veel mensen het niet met me eens zijn, Van tijd tot tijd is een populaire bundel, maar juist daarom motiveer ik hier mijn keuze, zodat je het boekenlijstje zelf op waarde kunt schatten.
Andere boeken die ik niet in het lijstje opneem, zijn die van het Griezelgenootschap en ander werk dat geschreven is vanuit een spiritualiteit die de mijne niet is.
Ten slotte ontbreken vrijwel alle AVI-boekjes. De halsbrekende toeren die daarin uitgehaald worden om de tekst klankzuiver te houden, de onnatuurlijke zinnen om binnen het AVI-niveau te blijven en de verhalen van likmevestje proberen je werkelijk alle zin in lezen te ontnemen. Een schaarse uitzondering hierop zijn de Roskamboekjes van Vivian den Hollander en Saskia Halfmouw, een serie lieve avonturen over een ponyclub, waar Jet heel gelukkig van wordt. Maar verder is het een drama, dat hele AVI. Jan Paul Schutten, zelf AVI-schrijver, schreef er een leuk stukje over (lees vooral ook de eerste commentaren erbij).
Het dieptepunt op AVI-gebied kreeg ik van de week in handen. In Wee wee wee punt muis punt en el zoekt muis een man per ie meel. Precies wat je je derdegroeper wilt meegeven op intermenselijk verkeer: zo vindt men een wederhelft. Muis verstuurt lukraak meels:
ik tik wat hier.
ik klik wat daar.
en dan kies ik een man.
klaar.
en legt het na twee mislukte internetdates aan met een mol:
mol: mijn hol is in de tuin. kom daar maar naar toe. dan pik ik je daar op.
muis: hoe zie ik dat jij het bent?
mol: ik neem een roos in mijn bek. dan zie je het zo.
muis: ik tut me wat op. en dan kom ik er aan!
En passant zaait muis bij haar lezertjes nog even de kiem voor een broos vrouwelijk zelfbeeld
muis doet een rok aan. hier lijk ik wel dik in, zegt muis. dan maar weer een jurk aan.
en ze gaat op pad. De affaire met mol eindigt in ruzie (‘muis baalt er van. wil ze wel een man?’) en opnieuw logt ze in op de AVI-relatieplanet. Met resultaat: er volgt een oppervlakkige correspondentie met een vegetarische kat, muis trekt bij hem in en is heel gelukkig. Alles lijkt koek en ei, maar in het voorlaatste hoofdstuk raakt muis in een identiteitscrisis. De kat snapt er niets van: ze waren toch zo gelukkig? Na enige zelfreflectie ontdekt muis waar het aan schort. Ze komt uit de kast.
wat wil ik nou?
wíe wil ik nou?
ik wil geen man.
ik wil…
ik wil…
ik wil een vrouw!
De escapades van muis in het homocircuit staan jammer genoeg niet in het boekje, die verschijnen waarschijnlijk in in de deeltjes Muis in Homoloeloe en Muis op de Gee Pareet. Ik kan haast niet wachten tot Jet er in zal beginnen.

Gijsbrecht
13 februari 2009

Totdat Cato geboren werd, gingen we vaker naar het theater. Niet iedere maand, maar een keer of zes per jaar toch zeker. Vooral de stukken van Theater Terra vonden we mooi, over Kikker, Kleine Ezel en -in mindere mate- Muis. In de winter meestal een sprookje in de schouwburg, soms een theaterstuk in de bibliotheek en we hebben ook eens een heel eind gereden omdat we die fijne boeken van Pettson en Findus op het toneel wilden zien. Maar de afgelopen twee jaar kwam het er niet meer zo van.
Totdat de moeder van Jettes vriendinnetje me vorige week wees op een kinderbewerking van de Gijsbrecht van Aemstel. Het leek me een mooie aanvulling op Johnny Jordaan, die we met regelmaat draaien ter koestering van mijn wortels.
En zo zaten we weer in het theater. Zonder Cato, want die bleef bij vader. (De mevrouw van de reservering vroeg nog bezorgd of ik wel wist dat het voor zes jaar en ouder was, want ze hoorde ‘iets van een kleiner kind’ op de achtergrond. Achtergrond was beleefd uitgedrukt.)

Jet hand in hand met haar vriendin, Philip naast mij. Dan kun je nog zo’n flinkerd zijn bij Star Wars, als er onheilspellende muziek klinkt om de spion van het stuk aan te kondigen, kun je maar beter naast je moeder zitten.
Vooraf konden er wapenschilden geknutseld worden.

En na afloop kenden ze een gouwe ouwe uit de vaderlandse belletrie – naast de juweeltjes die ze middels ome Johnny uit die mooie, die fijne Jordaan al konden opdissen.
Het hemelse gerecht heeft zich ten lange lesten
Erbarremt over mij, en mijn benauwde vesten
De uitvoering was geweldig. Een groot aantal heerlijke grappen, een woeste slag om Amsterdam, verrassende vindingrijkheid bij de decorstukken, een glansrol voor de minstreel en Vondels eigen stuk was er nog in te herkennen. Gaat dat zien: Gijsbrecht van theatergezelschap Unieke Zaken.
Kakkiedrol
10 februari 2009

Het is de leeftijd. Jet heeft de laatste tijd nogal vaak de slappe lach. Soms wekt ze het zelf op, soms begint het uit het niets. Dan kom ik de kamer in, zeg op een bepaalde manier ‘Jet’ en dan giert ze het uit. Het zal ook de tijd van het jaar wel wezen – veel binnenzitten kropt op.
Het zijn vooral de vieze woorden die het ‘em doen. En daar is Philip dan weer goed in, dat treft.

Dat is natuurlijk ook de essentie van de slappe lach, dat je hem samen hebt. Dat je elkaar maar even hoeft aan te kijken om weer in je broek te piesen van het lachen.
Soms wordt er nog wat extra inspiratie opgedaan om de schaterbui te laten voortduren. Dan pakken ze de bundel Er staat een taart in lichterlaaie erbij, of zetten een cd op.
Deze doet het altijd goed (luister in ieder geval tot 45 seconden om een idee te krijgen).
Ik heb zelf de laatste tijd net iets teveel schetenpies gehoord om er nog van dubbel te klappen, maar dat vinden Philip en Jet juist niet erg. Daar moeten zij juist extra om brullen.

Moeder gaat op stap
8 februari 2009
Zaterdag was onze Mom’s Night Out. De periodieke avond uit voor thuisonderwijsmoeders om bij te praten, hebjijdatnouook uit te wisselen en boeken en methodes te overleggen.
Toen we er vier jaar geleden mee begonnen, waren we nog Mum’s die een Night Out gingen, want het was een Britse moeder uit onze thuisonderwijsgroep het idee als eerste opperde. Nadat zij tot ons verdriet naar Noorwegen verhuisde, werd de traditie voortgezet door J, die vorig jaar naar New York vertrok en werden we Mom’s naar Amerikaans taalgebruik.
We zijn uit eten geweest en naar de bioscoop, we hebben samen wat gedronken en potluck gedineerd. De groep is gekrompen en gegroeid in de afgelopen jaren, we hebben afscheid genomen en verwelkomd. En afgelopen zaterdag was het weer heel gezellig bij M. Op haar weblog kun je een verslagje lezen.
Catoeterwaals
4 februari 2009

Dit is Cato.
Vooralsnog de luidruchtigste van de drie. Al in de eerste minuut van haar leven, terwijl haar benen nog niet eens geboren waren, liet ze horen dat ze heel veel geluid kon maken.
Cato boft. Ze heeft een broer die altijd even tijd voor haar neemt.

En ze heeft een zus als rolmodel.

Cato lijkt ook een beetje op mij. Ze kan met gemak drie haringen op en we hebben hetzelfde aangeboren talent voor non-figuratief tekenen.

We gaan allebei graag de hort op,

we hebben dezelfde gracieuze lichaamstaal (zo ongeveer zie ik er ook uit in een balletpakje)
en we houden allebei van voorlezen.

En wat nou zo leuk is, Cato begint steeds meer te praten. Je hoeft alleen maar te weten dat zij alle k’s als een t uitspreekt en dan kun je haar verstaan. Nou ja, bijna. Want eigenlijk is het ook handig om te weten dat ze de l aan het begin van een woord als een s uitspreekt. De l in het midden van een woord is overigens geen punt: ‘willen’ wordt met grote nadruk uitgesproken.
Dus: kikker is ‘titter’ en lief is ’sief’. Een woord als ‘toetje’ kan meerdere betekenissen hebben: koekje, koetje of toetje. Het is voor buitenstaanders niet altijd even verstaanbaar, maar wij begrijpen haar uitstekend als ze roept dat iets heel seut is, of als ze belangstellend informeert of onze toffie wel setter is.
Cato vindt het handig om te kunnen praten, dat merk je aan alles. Als Philip haar in het vuur van een achtervolgingsspel opjaagt en declameert: ‘Cato, je bent kansloos!’ roept zij heel hard terug: ‘Nee tansloos!’ Bij de eendenvijver wijst ze ons graag op de verschillende vogels: ‘Tijt, een meertoet.’ En nu de persoonlijk voornaamwoorden aan het inzinken zijn, kondigt ze zichzelf enthousiast aan: ‘Hier ben it!’
Hoewel we soms weleens met onze ogen rollen als Cato met alle geweld een cd wil luisteren terwijl wij aan het voorlezen zijn, maakt ze ons allemaal heel gelukkig. Met haar onverminderde gedrevenheid, haar mollige handjes en haar heerlijke kuswangen.
It hou zo van Tato.

