D.
30 december 2008

Philip en D. zijn dikke vrienden. Eigenlijk is iedereen in ons gezin dikke vrienden met hem, want D. is een lieverd. Het is een erg sociaal jongetje met veel vriendjes, maar gelukkig maakt hij vaak tijd voor ons - hij komt geregeld even aanwaaien. Cato roept altijd hoopvol zijn naam als de deurbel of telefoon gaat; ze is dol op hem.
Hoewel hij zelf geweldige ouders heeft, beschouwen we hem allemaal een beetje als gezinslid. Dat ziet hij zelf ook zo en hij wijst me er dan ook regelmatig op dat ik zijn naam nog steeds niet op de verjaarskalender heb bijgeschreven. Dat ik zijn verjaardag uit mijn hoofd ken, doet niet terzake, hij hoort er gewoon op, vindt hij.
D. wil altijd graag blijven eten. Dat is voornamelijk voor de gezelligheid, want vaak lust hij eigenlijk niet wat we eten, ook als ik hem vantevoren had verteld wat ik ging koken. Soms moet ik er een beetje van zuchten, maar direct daarna vergeef ik hem weer, want D. doet altijd erg zijn best om beleefd te zijn (‘De aardappels zijn wel erg lekker’).
Ik heb het al vaker geschreven, Philip en D. kunnen eindeloos spelen. Ze hebben een aantal thema’s waarop ze onbeperkt variëren en struinen als ware Blues Brothers de buurt af, waarbij de karakters worden afgestemd op de situatie. Soms komen ze rollen tekort en dat wordt dan even ongecompliceerd als ingenieus opgelost (‘Nu was ik even degene die mij doodschoot’). De cast kan oneindig worden uitgebreid, ongeacht leeftijd of sekse. Als ze hier thuis spelen doet Jet sowieso mee, maar Cato wordt net zo makkelijk ingezet.
In de vakantie komt D. meestal wat vaker, dan is hij vrij van school. Van de week kwam hij zijn kerstwensen brengen. Vier kaarten: een voor ieder kind en voor John en mij een samen. Kerstkaarten zoals kerstkaarten horen te zijn: handgeschreven en met een persoonlijke noot voor ieder van ons.

Aan Jet schreef hij over haar mooie oorbellen, aan Cato dat ze zo’n grote meid aan het worden is. Op onze kaart had hij ook erg zijn best gedaan. D. is niet kerks, en hier had hij erg over nagedacht. Kijk nou toch eens wat een schat. (En laat ik niks horen over dat handschrift. Hij wordt dokter, dat is duidelijk.)

Binnenkort wordt hij elf. Ik ga hem onmiddellijk op de verjaarskalender bijschrijven.
Op niveau
23 december 2008
‘Hoe weet je of je kind op niveau zit?’
Het is meestal niet de eerste vraag die gesteld wordt (die gaat doorgaans namelijk over ‘het sociale’, waarvoor ik ter geruststelling ook onze pagina met uitjes bijhoud), maar hij staat wel in de top drie: ‘Hoe houd je bij of er geen hiaten ontstaan?’
Als je thuisonderwijs geeft, zijn er geweldig veel bronnen waaruit je kunt putten. Omdat ik merk dat het ontwikkelingsniveau van thuisonderwijskinderen vergeleken met dat van schoolkinderen nogal leeft, zal ik een paar van die bronnen prijsgeven. Omwille van de leesbaarheid beperk ik me tot het basisonderwijs en een klein aantal links.

Zo is daar het Basisschoolboek, een naslagwerk met de actuele leerstof die kinderen aan het eind van de basisschool idealiter gehad zouden moeten hebben. Gerangschikt per vak beslaat het alle kerndoelen van het primair onderwijs – van taal en rekenen tot aardrijkskunde en verkeer. Hier kun je voorbeeldpagina’s inzien.
Dan zijn er natuurlijk de kerndoelen zelf, de onderwijsdoelen waarnaar basisscholen moeten streven. Omdat deze vrij abstract en globaal zijn, bestaan er ook zogenaamde tussendoelen, concreet uitgewerkte suggesties voor het onderwijs.
Die tussendoelen staan hier. Onder het kopje ‘leerlijnen’ kun je de vakken Nederlands tot en met bewegingsonderwijs aanklikken, en per vak doorklikken naar ‘leerlijn’. Laat je vooral niet ontmoedigen door het massieve schema. Het zijn letterlijk streefdoelen; ik schreef al eerder dat wereldoriëntatie niet meetelt voor de citotoets. Bovendien lijken de doelen vaak ingewikkelder dan zij zijn. Soms zijn ze zo voordehandliggend, dat je er zelf niet opgekomen was er een kerndoel van te maken: een kind van zes jaar (eind groep 2) dient bijvoorbeeld te weten dat je een boek van voor naar achter leest, dat plaatjes vaak bij de tekst horen en dat er verschillende soorten boeken bestaan (leerlijn 4). Ik wil maar zeggen: de angst voor hiaten hoeft niet te overheersen.
In sommige gevallen is het trouwens ook heel simpel om te zien waar je kind mee bezig is. Wanneer je bij het thuisonderwijs werkboeken gebruikt, voor rekenen bijvoorbeeld, dan staat het niveau gewoon op de omslag: boekje 2A, 2B enzovoorts. Weet je dus in welk leerjaar je kind bezig is.
Als je ervan houdt, kun je op deze site citotoetsen per vak vinden – linkerkolom bovenaan. Op dit gedeelte van de site staan nog veel meer oefentoetsen.
Voor een overzichtelijke opsomming per jaargroep en onderwerp kun je ook op deze site kijken. Je klikt op de groep waarin je kind zou zitten, vervolgens op het schoolvak en je ziet precies welke stof er in dat jaar op school aangeboden wordt. Vol oefeningen en niveautesten.
Speciaal voor het vak rekenen is er ook een site met de ondertitel ‘Wat je kind moet weten’. Deze staat hier en biedt, naast een overzicht per leerjaar, in de rechterkolom rekenmateriaal aan. Daar kun je bijvoorbeeld zien dat het rekenen in groep 3 beperkt blijft tot plus- en minsommen tot 10.
De boekenreeks Mijn kind naar school geeft een globaal jaarbeeld van het hele schoolaanbod. Per groep is er een boek waarin wordt uitgelegd wat een kind op school zoal aangeboden krijgt. De boeken zijn te leen in de bibliotheek en hier kun je voorbeeldpagina’s uit de reeks bekijken.
De vraag is natuurlijk: hoe belangrijk is het dat je kind precies hetzelfde jaarschema aanhoudt als zijn schoolgaande leeftijdsgenoten? Is het nodig om je dochter in week 12 het woord neus te leren omdat haar vriendinnetje in groep 3 dat ook op dat moment leert? Of om de verkeersborden pas op haar negende uit te leggen, omdat dat volgens het schoolrooster zo past?
Al die ontwikkelingsoverzichten kunnen van pas komen, maar het mooie van thuisonderwijs is dat je zo flexibel kunt zijn, dat je dochter na neus meteen verder kan lezen als zij daar aan toe is. Op haar derde. Of op haar achtste. Maar niet per se in week 12 van groep 3. Wanneer je de achtergrondkennis zo kunt toepassen dat je kind floreert, denk ik dat niemand zich zorgen hoeft te maken over het niveau.
Aanmonsteren
18 december 2008

Kaart van de gevaarvolle reize van de scheepsjongens van Schipper Bontekoe
We zaten in een zeeheldenflow de afgelopen tijd. Ik had De scheepsjongens van Bontekoe gehaald en die hebben we avond aan avond (aan avond, aan avond) ademloos gelezen.
Het is het soort boeken waar ik zo van hou. Een variant op een waargebeurd verhaal, spannend en mooi geschreven. Het is vreselijk leuk om dat met Philip en Jet samen te kunnen doen, om te zien dat je kinderen ook genieten van wat je met hen wilt delen.
Er is een herziene versie De scheepsjongens vanaf de 29e druk in 2007, bewerkt door Suzanne Braam, maar wij hadden een oorspronkelijke uitgave uit 1985, de versie die hier ook in zijn geheel op internet te lezen is. Toen we op de helft van het boek waren, heb ik de herziene uitgave erbij geleend om te kunnen vergelijken. Ik moet zeggen dat ik de bewerking van Braam uitstekend vind. Ze heeft de sfeer en taal van het boek onaangetast gelaten en het leest een stuk vlotter.
Ik wilde in die nieuwe editie verder gaan, maar Philip en Jet hechten zich nogal snel en wilden in het origineel voorgelezen worden (‘We zijn dat nieuwe boek niet gewend’). Eigenlijk was het ook wel leuk om bij het kneuterige Nederlands uit 1923 te blijven: ‘Wil ik je even helpen, boots?’ Bovendien heeft Braam er in haar bewerking een hoop Indische woorden uitgehaald die jeu geven aan de avonturen van de jongens op Sumatra, die zou je dan zomaar missen.
Ik had het echte journaal van Bontekoe nog nooit gelezen, het verslag dat Willem IJsbrandsz. Bontekoe in 1646 schreef na zijn ellendig reis en waarop het verhaal van De scheepsjongens gebaseerd is. Ook dat staat integraal online en wel hier – helemaal leesbaar gemaakt door Lennaert Nijgh. Ik zag dat er in 2001 nog een bewerking van het Journael is verschenen door Thomas Rosenboom, dat wil ik graag nog eens lezen.
Thuisonderwijstechnisch is het natuurlijk een juweeltje, dat verhaal van die scheepsjongens. Nieuwe woorden en zeden in overvloed en weer een mooie combinatie van geschiedenis en aardrijkskunde. De kinderen zaten tijdens het lezen paraat met globe en zakatlas om alle prominente plaatsen en routes door te nemen: Kaap de Goede Hoop, de Indische Oceaan, Réunion, Hoorn. Uit vrije wil overigens – het is namelijk gewoon leuk om te zien hoe ze gevaren hebben. Of hoe ze hadden kúnnen varen. Of waar het schip ontplofte.
Als aanvulling is het boek van Vibeke Roeper een goeie: Zwarte peper, scheurbuik. Kinderen op reis met de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Geen aanbeveling voor het slapengaan, want de stokslagen vliegen je om je oren en er worden zonder pardon ouden van dagen overboord gekieperd, maar het geeft een reëel tijdsbeeld zullen we maar zeggen.
Ik vond in de bibliotheek nog een video van een oude schooltv-serie in twee delen: Bontekoe, schipper bij de VOC; via een zandloper komt iemand uit onze tijd bij schipper Bontekoe terecht, terwijl deze juist zijn Journael aan het schrijven is. Erg de moeite waard. En toevallig ging laatst een uitzending van Vroeger en zo, ons vaste schooltv-moment in de week, over reizen met de VOC. Hier kun je de hele aflevering van tien minuten zien, ook een aanrader.
John heeft met de kinderen twee afleveringen van The full circle gekeken, die fabelachtig mooie reisdocumentaire van Michael Palin. In deze delen komen allerlei dingen uit Bontekoe voor: Palin bezoekt sawa’s (rijstterrassen), een theeplantage, een stam van voormalige koppensnellers, hij gaat naar Java en proeft een doerian – het staat ook allemaal in het boek.
Vorig jaar is de film over De scheepsjongens uitgekomen, maar daar hik ik nog tegenaan. Films na boeken vallen vaak tegen en ik word er een beetje moe van dat alle kinderfilms zo geërotiseerd worden. Na de verfilming van Pluk van de Petteflet, waarin Aagje of all people een liaison met Pluk op het oog heeft, heb ik het een beetje opgegeven. Begrijp me goed, ik heb niets tegen verliefdheden in films, maar wel als die er aan de haren bijgesleept worden en het oorspronkelijke verhaal tekortdoen. De brief voor de koning was daarentegen weer een prachtige uitzondering op de regel, dus wie weet geef ik het nog een kans. Eerst nog maar even nagenieten met Fabricius’ betamelijke woorden op het netvlies.
Dames en heren
14 december 2008
Het gonsde al even rond, maar de rolverdeling is nu officieel: Jet is Maria in het kerstspel van de kerk. Thans oefent zij in devoot zitten. De nieuwe Mary Dresselhuys is opgestaan.

P.S. Philip heeft een dubbelrol in hetzelfde kerstspel, waaronder die van Jozef. Hij ziet het echter meer als verantwoordelijkheid dan als eer en beperkt de voorbereiding dan ook tot het absoluut noodzakelijke.
Kennen en kunnen
8 december 2008

In de categorie ‘Veelgestelde vragen’ 1) deze keer:
‘Ik ben niet goed in geschiedenis (spelling/rekenen), kan ik dan wel thuisonderwijs geven?‘ 2)
Om kort te gaan: ja, ja, driewerf ja. Maar ik ben niet van dat hele compacte, dus nu nog een toelichting.
Omdat thuisonderwijs in Nederland niet zo bekend is, is het voor veel mensen omgeven met een zweem van mystiek en complexiteit. Dat is nergens voor nodig. Iedereen kan het. Sterker nog: iedereen doet het. Alle ouders die in het weekend naar een museum gaan, hun peutertjes de kleuren leren, hun kinderen voorlezen of tijdens het journaal uitleggen wat een kredietcrisis is, geven thuisonderwijs. Het verschil -en wat mij betreft de grote zegen- zit ‘em vooral in de hoeveelheid tijd die thuisonderwijzers er aan kunnen besteden.
Verder hoef je er niet bijzonder knap voor te zijn. Uit het Canadese onderzoek From the Extreme to the Mainstream is gewoon gebleken dat mensen die thuisonderwijs willen geven, geen speciale vooropleiding nodig hebben.
Als je zelf ergens geen verstand van hebt, dan zoek je het samen op, of je schakelt mensen in die er wel verstand van hebben. Zo heeft Jet laatst van onze nieuwe vrienden steken leren opzetten om te breien; dat heb ik namelijk nooit geleerd op school. En we spreken geregeld af met iemand die ons mooie dingen in natuur en landschap laat zien. Iedereen heeft ze in zijn omgeving: mensen die de liefde voor hun vak of hobby kunnen overbrengen.
Wat belangrijk is, is dat je bereid bent om samen met je kind te leren. Samen naar de bibliotheek, daar hebben kinderen alle tijd om boeken te zoeken en te leren hoe je het opzoeksysteem gebruikt. En thuis kun je ze helpen om internet en naslagwerken optimaal te benutten.
Daarnaast kun je natuurlijk naar believen uitbreiden met heuse vakliteratuur. Alles is te leen in de bibliotheek. Veel boeken die bedoeld zijn voor pabo’s of academische vakgebieden, zijn ook heel leesbaar voor thuisonderwijsouders. Een boek als Schrijven met zorg van Anneke Baauw-van Vledder kun je gebruiken om je kind te helpen bij het schrijven; het geeft een duidelijke uitleg, handige tips en veel oefenbladen.
En neem het boek Geschiedenis geven van Ron de Bruin; dat bevat originele, prachtig uitgewerkte suggesties voor de hele canon van de Nederlandse geschiedenis. Hier kun je het gedeelte over de Middeleeuwen online inkijken; met ideeën om stadskaarten van vroeger en nu te vergelijken, de Carmina Burana te beluisteren, een belegering na te tekenen of als monniken te kalligraferen.
Veel mensen denken dat je als thuisonderwijzer overal verstand van moet hebben, maar dat is een misvatting. Een mens kan niet alles weten, maar wel alles opzoeken. Dat is wat ik de kinderen probeer bij te brengen.
———————-
1) Hier staan er nog meer. Voel je overigens vrij om vragen te stellen, hoor. Ik merk dat er wat misverstanden over thuisonderwijs sudderen die soms gemakkelijk rechtgezet kunnen worden. Mocht je iets willen weten, maar het nooit hebben durven vragen, dan kun je het briefpapiertje op deze pagina gebruiken.
2) Deze vraag laat ook meteen zien dat school geen garantie is voor kennis. Iedereen heeft geschiedenis, spelling en rekenen gehad, maar daar blijft soms niet zo veel van hangen. Zeker niet wanneer het resultaat meer gericht is op het behalen van een cito-toets dan op het verwerven van kennis.
Zondagmiddag
4 december 2008

Een huiselijk tafereel afgelopen weekend. Elk van de kinderen was vervuld van iets nieuws.
Cato had de treinbaan ontdekt


en Philip en Jet het schaakbord.

Dankzij een tip van vriendin M. had ik de cd-rom Schaak? Mat! uit de bibliotheek geleend. Jet was de eerste die helemaal in het spel bleek te zitten en haar enthousiasme sloeg over op Philip. Na een uur beeldschermschaken wilden ze het met een echt bord proberen. Dat is sindsdien niet meer van tafel gekomen. In verschillende formaties wordt er geschaakt, soms vijf, zes potjes achter elkaar.
Hoewel ik voor mijn goede fatsoen af en toe een partijtje meedoe, deel ik hun enthousiasme voor het spel niet echt. Ik kan me wel indenken dat het puzzelelement van schaken aantrekt, maar ik heb er zelf zo weinig mee. Ik heb altijd het idee dat ik iets mis, bij schaken. Dat ik iets cruciaals over het hoofd zie. En dat is ook meestal zo. Gelukkig zijn er meer mensen in huis.

Ik kan nog niet inschatten hoe lang de geestdrift zal duren, maar vooralsnog zijn we vier dagen verder en zit het vuur er nog in. Zowel bij Philip en Jet als bij Cato. En treinbanen bouwen vind ik weer wel leuk.

Het huis van Sinterklaas
2 december 2008

Ze bevinden zich in het schemergebied tussen Sprookje en Echt. Aan de ene kant weten ze hoe het zit, aan de andere kant is er de betovering nu het hele land zijn aanwezigheid ademt.
In augustus wisten ze nog precies hoe het in elkaar stak met die schoen. ‘Dat had ik al gedacht,’ zei Jet. ‘Ook duur voor jullie trouwens’, zei Philip. Maar nu er weer daadwerkelijk schoenen voor de centrale verwarming staan en we met zijn allen zingen, is het toch gewoon echt. Voor Jet was het bewijs weer eens onomstotelijk geleverd toen er ’s morgens geen appel meer lag, die zij voor het paard had neergelegd, maar alleen nog het steeltje: ‘Een mens zou dat steeltje weggegooid hebben.’
Daarom gingen we vandaag op hoog bezoek in het Sinterklaashuis. Jet was euforisch toen ik het haar vertelde. Ze ging meteen een cadeau maken: inpakpapier gevuld met wat pepernoten en sintmaartensnoep; want snoep krijgt Sint nooit, dat deelt hij alleen uit. Terwijl ze nog een winterwortel uit de groentela pakte, stond Cato al bij de deur – in ondergoed en op kaplaarzen. Cato maakt graag haast met vertrekken.
We kwamen aan voor een gesloten deur, want het Huis kent een middagsluiting tussen 12.15 en 13.15 uur. Wachten gaf niks, vonden de kinderen, zelfs niet in de regen.

Sint was erg blij met Jettes cadeau. Hij vroeg nog wel of de kinderen niet naar school moesten, maar toen Jet hem hielp herinneren aan hun thuisonderwijs, schoot het hem ineens te binnen dat hij dat inderdaad had gelezen in het Grote Rode Boek.

Het huis bestaat uit een lange gang met aan weerszijden kamers. Er is een bakkerij waar je taai taai kunt versieren, een badkamer, een gymzaaltje en enkele intiemere gedeelten.



In de pakjeskamer lagen al veel cadeaus klaar, geadresseerd en wel. Philip keek voor de zekerheid of zijn naam erbij stond.

En overal waren natuurlijk Pieten. Hele lieve. Ze leken nog wel liever dan op het Sinterklaasjournaal, vond Jet. Ze namen alle tijd om met je te kletsen.

Je kon ook met ze dansen, dat vond Jet het allerleukst.

Cato had zich vooral verheugd op Sinterklaas. Ze had de hele weg ‘Sinte Taasje bonne bonne’ gezongen (de ‘k’ wil nog niet erg lukken), maar toen we eenmaal in het Huis waren, viel ze voor de Zwarte Pieten. En de Pieten voor haar.



