Tijd over
13 mei 2013

Ik dacht: als ik nou de was nog iets minder vaak opvouw en ik plant alleen courgettes en pompoenen in die moestuin, dan heb ik nog best een gaatje over. Voor een eigen bedrijfje bijvoorbeeld!
Dus dat heb ik gedaan. Ik ben een bedrijfje begonnen in tekstcorrecties: In goed Nederlands. Het is niet helemáál een nichemarkt, maar het zou ook zo wat zijn als ik ineens keukens ga importeren of op de vrachtwagen ga zitten.
Denkt u zich eens in: als Philip dadelijk astronaut is (met bijverdiensten als drummer van Coldplay), als Jet u tot tranen roert met haar vertolking van de stervende zwaan, als Cato straks de eerste vrouwelijke minister-president is en Victoria werkt als welzijnswerker voor alle zielige dieren en weeskinderen van heel West-Afrika, dan kunt ú zeggen: ‘Dat komt omdat ik mijn sollicitatiebrief heb laten nakijken. Ik heb meebetaald aan die opleiding.’
Of: ‘Dankzij die foutloze brochure was mijn makelaarskantoor het enige in de wijde omtrek dat de crisis overleefde.’
Of: ‘Ik won de P.C. Hooftprijs omdat ik als eerste striptekenaar van Nederland ‘o ja’ in de tekstballonnetjes zette in plaats van ‘oh ja’.’
Of: ‘Mijn echtgenote krijgt nog altijd een brok in haar keel als ze denkt aan mijn eerste liefdesbrief, die in zulk voortreffelijk Nederlands geschreven was.’
Dat kunt u allemaal zeggen. En uw twaalfhonderd beste vrienden, kennissen en collega’s ook. Mits u natuurlijk eerst langs ingoednederlands.com bent gegaan.

Cato schrijft
7 mei 2013
Als je niet zo vaak suikermuisjes op je brood krijgt, ben je er zuinig op. Zeker als je in een huis woont met nog vijf mensen die van suikermuisjes houden. En als je dan halverwege je beschuitje de deur uit moet, naar je club, dan neem je je maatregelen.
(Het heeft gewerkt. Bij thuiskomst lag het er nog. Philip had er zelfs een bordje overheen gezet om te voorkomen dat de jongste het zou zien en zich via blokkendozen en andere opstapjes een weg naar de muisjes zou banen.)
Arend doet het weer
30 april 2013

Mijn 85-jarige buurman kwam graag op de koffie. Of hij wipte aan rond etenstijd, riep omstandig dat hij zéker niet zou mee-eten (hij had niet eens honger), liet ons vijf keer aandringen, vroeg wat we dan precies aten, nou vooruit, een klein bordje dan, en bunkerde vervolgens een hele maaltijd weg plus twee toetjes.
We waren dol op hem en hij op ons. Hij hield monologen over zijn leven als scheepskok en de oorlogsdagen in Putten en gaf uitgebreide ooggetuigenverslagen van documentaires die hij op National Geographic gezien had. Hij onderwees graag. Dan is een thuisonderwijsgezin op loopafstand een goudmijn. Daar kun je alles aan kwijt. Scheepsknopen, het enige juiste recept voor biscuitdeeg, citaten uit Mijnheer Prikkebeen, de geur van Indonesië, politiek in het algemeen en geschiedenis in het bijzonder. Als bewijs van een deugdelijke lagereschooltijd dreunde hij deze vaak op:
Dikkie Dikkie Arnout,
Dikkie Dikkie Flo,
Dikkie Flo,
Dikkie Flo,
Dikkie Ada Wimpie Flo,
Wimpie Flo, Jan.
U had ze al herkend, de graven van Holland op chronologische volgorde – van Dirk I in 896 via alle Willems en Florissen tot Jan I in 1299. Nu onze buurman sinds een halfjaar vertroeteld wordt het verzorgingshuis, is er een gat gevallen in het geschiedenisonderwijs – helemaal met de nakende troonswisseling. En wie kan dat gat opvullen, denkt u? Precies. Arend van Dam.
Hij was al leraar aardrijkskunde en (kunst)geschiedenis van de huidige generatie opgroeiende kinderen, nu is hij ook meester in de Oranjedynastie. In tien verhalen vertelt Van Dam over de prinsen, prinsessen, koninginnen en de twee koningen van het Huis Van Oranje.
Net als Van Dams vorige boeken heeft Leve de koning! herkenbare perspectieven. Je kunt je verplaatsen in de vorstenkinderen, hun nukken en speelsheid en de balans tussen gewoon zijn en het comfortabele, bevoorrechte paleisleven.
Ik vind het lastig om een leeftijdsindicatie te geven. Stilistisch is het voor jongere kinderen -Van Dam schrijft geen belletrie- maar het onderwerp zal vooral vanaf een jaar of negen aanspreken. Bovendien gaat het diep genoeg om ook volwassenen te boeien. Troonswisselingen, anekdotes van historische waarde en niet te vergeten de handige stamboom, het zijn dingen die ik op school niet geleerd heb. Ik ga me nog beraden op een toepasselijke ezelsbrug voor mijn kinderen, maar zelf ben ik alvast erg blij met mijn eigen ‘Dikkie, Dikkie, Arnout’ in kinderboekenformaat.
—
Oh en o
28 april 2013

Je ziet het steeds meer. Het grijpt met tentakels om zich heen en het gekke is, je hoort er nauwelijks iemand over. Als een presentator zegt: ‘hun hebben’ roept iedereen dat de taal verloedert, maar als een televisieprogramma Oh oh Cherso heet, hoor je niemand over de verkeerde spelling.
En ik zit er maar mee. Eerst met die verkeerde spaties en nou met die oh. Ik herinner het me van vroeger uit Donald Duck. Toen vond ik het al verwarrend; de neefjes die riepen: ‘Oh nee, oom Donald!’
Dat moest toch ‘o nee’ zijn, zonder h? ‘Oh’ spreek je toch uit met de o van mok? Of bedoelden ze dat juist? Was het in plaats van een geschrokken ‘o!’ meer bedoeld als een teleurstellend ‘oh’, zoiets als ‘och’? Het was waarschijnlijk overgenomen uit het Engels, waar je oh wèl uitspreekt als ‘o’, maar waarom zou je die prima o verbasteren en daarmee de betekenis veranderen?
Nederlands is geen eenvoudige taal; maar er zijn regels om het makkelijker te maken. In dit geval:
een klinker aan het eind van een lettergreep is een open klinker (klinkt als aa, oo, uu)
Als je er een medeklinker achter zet, wordt de klank kort. De lange a in pa wordt kort als je er een n achter zet: pan. De a in pan klinkt doffer dan die in pa.
Zo is het ook met de o.

De lange o van po wordt kort als je er een t achter zet: pot. Dus als je wilt dat o klinkt als oo, dan moet je er géén medeklinker achter zetten.
Het is auto, geen autoh.
Het is tante Jo en geen tante Joh.
Een losse o staat ook ‘aan het eind van een lettergreep’. Het is immers maar één lettergreep. Net als u. Je schrijft ‘die jas is van u’ en niet ‘die jas is van uh’.
Als je een uitroep wilt overbrengen van schrik, verbazing of enthousiasme, dan is het:
- O, wat leuk!
- O, o, wat een verdriet.
- O nee, ik moet er niet aan denken!
- O ja, is dat zo? (En niet: ‘Oh ja, is dat zoh?’)
Zodra er een medeklinker achter staat, of dat nu een p is of een h, dan wordt het de korte, doffe klank van op en oh. Je kunt dus wel oh schrijven, maar dat is meer:
- Oh, dat is vals.
- Oooh, dat mag niet, kijk eens, juf! (De klikspaan-oh.)
- Oh, wat zonde… (Teleurgesteld.)
- Oh, dat valt wel mee. (De relativerende oh, ook wel ‘mwoh’ of ‘och’.)
Het is dus O, o, Cherso, ‘O, o, Den Haag, mooie stad achter de duinen’ en de neefjes horen te zeggen: ‘O nee, oom Donald!’

Cato schrijft
26 april 2013

Er is iets waar Cato het meest van houdt en dat is spelletjes spelen. Nee, dat is niet waar. Ze houdt ook erg van barbies aankleden, fietsen, kleuren in haar topmodelboeken, rauzen, films kijken, oogschaduw opsmeren, met transformers spelen, ijpetten, grapjes maken, tikkertje doen en voorgelezen worden. Cato houdt het meest van leven, denk ik.
Opnieuw.
Er zijn veel dingen waar Cato van houdt en op een gedeelde eerste plaats staat spelletjes spelen. Ze kan met gemak vierhonderd keer achter elkaar mens-erger-je-nieten, maar dan zit ze op het laatst wel in haar eentje, want ondanks vijf huisgenoten is er niemand die net zo veel van bordspellen houdt. We hebben onze kaarten ingezet op Victoria – u begrijpt waarom er een vierde kind gekomen is.
Om het voor iedereen een beetje leuk te houden, zorgen we regelmatig voor nieuwe aanwas van spellen. Zo kregen wij op vijf december Wat schets je me nou? in de zak. Onder het motto ‘gedeelde smart is halve smart’ kent Wat schets je me nou? een absoluut minimum van vier spelers. Cato kon haar geluk niet op. Iedere ochtend als ik met dikke ogen uit bed kwam, klonk er vanuit de woonkamer een opgetogen ‘Ha, daar ben je eindelijk’ en werd ik verwelkomd door een speltafel, onberispelijk gedekt voor vier spelers. Het wachten was slechts op twee ontwakende medespelers.
Wat schets je me nou? is een soort telefoonspelletje: je fluistert iets in iemands oor, die fluistert het weer aan een ander en aan het eind van de ketting is het lachen geblazen als de uitkomst heel anders is dan het eerstgefluisterde woord. In het bordspel gaat het met woorden én tekeningen die je aan elkaar doorschuift. Soms een makkelijk woord: poes of boot, soms een lastige: huisgenoot of sciencefictionfilm. Overigens hoef je niet te kunnen tekenen om het spel te spelen – ons hele gezin is daar een levend voorbeeld van. Je moet alleen een beetje kunnen lezen en schrijven.
En dan is zo’n spel met mensen van verschillende leeftijden toch leuk. Ook na een kleine drie miljoen potjes kan Cato me verrassen. Ik moest het woord ‘scheepswrak’ tekenen (geen commentaar graag).
En Cato moest raden wat het was.
Charlotte doet het weer
25 april 2013

Net als je denkt dat je alles in Nederland gezien hebt, nog voordat je ‘Bis, bis!’ hebt kunnen roepen, komt Charlotte Dematons met een toegift.
In Duizend dingen over Nederland staat alles wat ze nog heeft willen zeggen: haar beweegredenen, haar verwondering, de geheimpjes die ze in de tekeningen verstopt heeft. Het is alsof ze bij je op de bank komt zitten, je eerst rustig de gelegenheid geeft om op de bladzijden te turen en daarna zegt: ‘Heb je dit al gezien?’
Klik op het plaatje voor een stukje uit het boek (pdf)
Naast Charlottes eigen stem – afgedrukt in blauwe letters – hoor je bij elk onderwerp ook een uitleg, geschiedenisverhaal of weetje. De kinderliedjes zijn integraal opgenomen, de vijftig geschiedenisvensters hebben elk een eigen kolom en alle getekende personen, kinderboekenfiguren, voorwerpen, festiviteiten en gebeurtenissen worden toegelicht door Jesse Goossens.
Die toelichting had wat mij betreft wat levendiger en ontspannender gemogen. Er is niets verkeerds aan, de tekst is duidelijk, maar het klinkt zo stroef naast de keuvelende, sympathieke toon van Dematons. Waar Charlotte onze vaderlandse opruimdrift typeert met ‘overal staan vuilnisbakken’, gaat het in de uitleg over het ‘Landelijk afvalbeheerplan’ en waar in blauwe Dematonsletters over de Rotterdamse haven staat dat er ‘een soort hefapparaat met een magneet’ gebruikt wordt, vertelt de toelichting dat Rotterdam ‘een directe verbinding [verschafte] met de mijn- en industriegebieden in het Ruhrgebied in Duitsland’. Kortom, met de informatie is niks mis, maar het leest meer als een lemma in de Winkler Prins dan als een mooie vertelling.
En toch moet je het natuurlijk lezen. Het is een fantastisch snuffelboek bomvol dingen die je nog niet wist en die je voor altijd zult onthouden als je ze samen met de platen van Dematons tot je neemt. Als de toelichting niet lekker voorleest, dan lees je het toch gewoon eerst zelf? Kun je het daarna in eigen geuren en kleuren aan je kinderen doorvertellen. En als je geen kinderen hebt, word je in iedere geval familiekampioen triviant nadat je Duizend dingen gelezen hebt.
Goed nieuws voor de buitenlandse vrienden en aanhang: er komt ook een Engelstalige uitgave. A Thousand Things About Holland verschijnt in mei, je kunt de website hier in de gaten houden.

—-
- Duizend dingen over Nederland hoort bij het woordloze prentenboek dat vorig jaar uitkwam. Hier meer over dit boek.
- Tot 8 juli kost Duizend dingen 9,95, daarna 12,50 euro. Isbn 9789047705642.
Cato schrijft
22 april 2013
Ze kwam thuis van een vriendinnetje dat haar kamer opgeruimd had. Doodzonde om weg te gooien, vond Cato. Aldus ontvingen wij uit de boedel: 17 stuiterballen, 1 wekker, 1 sierkussen, meer kraaltjes dan je in een mensenleven kunt rijgen, 15 viltstiften en 1 nepdrol.
Van de week liep de wc binnen. Cato bleef er bijna in.













